De ketel is ermee begonnen! Vertel me niet wat mevrouw Peerybingle heeft gezegd. Ik weet wel beter. Mevrouw Peerybingle mag tot in lengte van dagen laten vastleggen dat ze niet kon zeggen wie van de twee ermee begon, maar ik zeg dat het de ketel was. Ik zal het toch wel weten! De ketel begon, volgens het kleine Hollandse klokje met de wasbleke wijzerplaat in de hoek, minstens vijf volle minuten voordat de krekel ook maar één tsjirpje liet horen.
Alsof de klok niet allang klaar was met slaan en de kleine, stuiptrekkende hooimaaier erboven, die voor een Moors paleis met zijn zeis van links naar rechts schokte, niet al een halve acre denkbeeldig gras had weggemaaid voordat de krekel zich er ook maar mee bemoeide!
Nu ben ik van nature helemaal niet zo stellig. Dat weet iedereen. Ik zou mijn mening voor niets ter wereld tegenover die van mevrouw Peerybingle stellen als ik niet volkomen zeker van mijn zaak was. Niets zou me daartoe kunnen bewegen. Maar hier gaat het om een feit. En het feit is dat de ketel minstens vijf minuten eerder begon dan de krekel ook maar enig teken van leven gaf. Spreek me tegen, dan maak ik er tien van.
Laat me precies vertellen hoe het gebeurde. Dat had ik al met mijn allereerste woorden gedaan, ware het niet om deze eenvoudige overweging: als ik een verhaal vertel, moet ik bij het begin beginnen. En hoe kun je nu bij het begin beginnen zonder bij de ketel te beginnen?
Je moet namelijk weten dat er een soort wedstrijd leek te zijn ontstaan, een krachtmeting tussen de ketel en de krekel. En dit was de aanleiding, en zo is het allemaal gekomen.
Mevrouw Peerybingle ging naar buiten, de kille schemering in, en klepperde op een paar trippen over de natte stenen. Die lieten overal op het erf ontelbare ruwe afdrukken achter van de eerste stelling van Euclides. Bij de regenton vulde mevrouw Peerybingle de ketel. Even later kwam ze terug, zonder haar trippen (en daardoor een heel stuk kleiner, want die waren hoog en mevrouw Peerybingle was klein van stuk), en zette de ketel op het vuur. Daarbij verloor ze haar geduld, of raakte ze het althans voor een ogenblik kwijt. Het water was namelijk onaangenaam koud en verkeerde in die glibberige, papperige, halfbevroren toestand waarin het door alles heen lijkt te dringen, zelfs door de ringen van trippen. Het had haar tenen weten te bereiken en zelfs haar benen natgespat. En als je nogal trots bent op je benen (en terecht bovendien) en er bijzonder op let dat je kousen er keurig uitzien, is zoiets op dat moment moeilijk te verdragen.
Daarbij kwam dat de ketel tergend en koppig was. Hij wilde zich niet op de bovenste stang van het haardrooster laten zetten; hij wilde zich niet gewillig voegen naar de brokken steenkool; hij moest en zou als een dronkaard vooroverhellen en water op de haard druppelen, de idioot van een ketel. Hij was twistziek en siste en sputterde nors tegen het vuur. En alsof dat nog niet genoeg was, verzette het deksel zich tegen mevrouw Peerybingles vingers. Eerst kantelde het ondersteboven en vervolgens dook het, met een vernuftige hardnekkigheid die een betere zaak verdiend had, schuin de ketel in, helemaal tot op de bodem. De romp van de Royal George heeft zich nog niet half zo hevig tegen het boven water halen verzet als het deksel van die ketel tegen mevrouw Peerybingle, voordat ze het eindelijk weer omhoog kreeg.
Zelfs toen zag de ketel er nog stuurs en eigenwijs uit. Hij hield zijn hengsel uitdagend omhoog en stak zijn tuit brutaal en spottend naar mevrouw Peerybingle uit, alsof hij zei: ‘Ik ga niet koken. Niets ter wereld krijgt mij zover!’
Maar mevrouw Peerybingle had haar goede humeur hervonden. Ze klopte haar mollige handjes aan elkaar af en ging lachend voor de ketel zitten. Ondertussen laaide het vrolijke vuur op en zakte weer in, en het licht flitste en glansde over de kleine hooimaaier boven op de Hollandse klok, totdat je haast zou denken dat hij roerloos voor het Moorse paleis stond en alleen de vlammen bewogen.
Toch bewoog hij wel degelijk. Hij maakte keurig en regelmatig zijn twee stuiptrekkingen per seconde. Maar zijn lijden wanneer de klok op het punt stond te slaan, was afschuwelijk om te zien. En als er uit een luikje in het paleis een koekoek tevoorschijn kwam die zesmaal riep, deed elke roep hem schokken alsof een spookstem hem trof, of alsof een vreemd, draadachtig iets aan zijn benen rukte.
Pas toen het hevige tumult en het gesnor van de gewichten en touwen onder hem volledig waren verstomd, kwam deze doodsbange hooimaaier weer tot zichzelf. En hij schrok niet zonder reden, want die rammelende, benige geraamten van klokken zijn in hun werking hoogst verontrustend. Ik begrijp werkelijk niet hoe wie dan ook, en al helemaal niet de Hollanders, er plezier in heeft kunnen hebben ze uit te vinden. Volgens het volksgeloof houden Hollanders ervan hun eigen onderlichaam ruim te omhullen en met veel kleding te bedekken. Dan zouden ze toch beter moeten weten dan hun klokken zo mager en onbeschermd te laten.
En nu, let wel, begon de ketel aan zijn avondvermaak. Nu werd hij milder en muzikaler. Er stegen onweerstaanbare borrelgeluiden op uit zijn keel en hij waagde zich aan korte, snuivende zanggeluidjes, die hij meteen weer smoorde, alsof hij nog niet helemaal had besloten of hij aangenaam gezelschap wilde zijn. Nu, na twee of drie vergeefse pogingen om zijn gezellige gevoelens te onderdrukken, liet hij alle norsheid en terughoudendheid varen en barstte los in zo’n behaaglijk en uitbundig lied als zelfs de meest sentimentele nachtegaal zich nooit had kunnen voorstellen.
En wat was het duidelijk te verstaan! Lieve hemel, je kon het lezen als een boek, misschien nog beter dan sommige boeken die jij en ik zouden kunnen noemen. Zijn warme adem stroomde naar buiten in een ijl wolkje dat vrolijk en sierlijk een paar voet omhoogsteeg en vervolgens in de hoek bij de schoorsteen bleef hangen, als een eigen, huiselijke hemel. En hij zong met zo’n krachtige opgewektheid dat zijn ijzeren lijf op het vuur zoemde en trilde. Zelfs het deksel, datzelfde deksel dat zich nog zo kort geleden had verzet — zo groot is de invloed van een goed voorbeeld — begon een soort horlepiep te dansen en klepperde als een jong, doofstom bekken dat nooit had geweten waartoe zijn tweelingbroer diende.
Dat het lied van de ketel bedoeld was als een uitnodiging en een welkom voor iemand die nog buiten was, iemand die op datzelfde ogenblik op weg was naar het knusse huisje en het knapperende vuur, staat buiten kijf. Mevrouw Peerybingle wist dat heel goed, terwijl ze in gedachten verzonken voor de haard zat. Het is een donkere nacht, zong de ketel, en langs de weg liggen de bladeren te rotten; boven is alles mist en duisternis, beneden modder en klei; en in heel die sombere, grauwe lucht is maar één lichtpunt te zien; al weet ik niet of je het wel een lichtpunt kunt noemen, want het is niets dan een felle gloed, diep en woedend karmozijnrood, waar zon en wind samen de wolken hebben gebrandmerkt omdat ze schuldig zijn aan zulk weer; en zelfs het wijdste open landschap is één lange, doffe zwarte streep; en op de wegwijzer ligt rijp, terwijl het op het pad dooit; en het ijs is geen water en het water is niet vrij; en van niets kun je zeggen dat het is zoals het hoort; maar hij komt, hij komt, hij komt! —
En hier, als je wilt, viel de krekel WÉL in! Met een ‘Tsjirp, tsjirp, tsjirp!’ dat als refrein zo’n verbijsterende kracht had, met een stem die, vergeleken met die van de ketel, zo ongelooflijk buiten verhouding stond tot zijn omvang (omvang! Je kon hem niet eens zien!), dat het volkomen natuurlijk en onvermijdelijk zou hebben geleken als hij op datzelfde ogenblik als een te zwaar geladen geweer uit elkaar was gesprongen, daar ter plekke het slachtoffer was geworden van zijn eigen geestdrift en zijn lijfje met zijn getjirp in vijftig stukken had geblazen, alsof hij daar al die tijd uitdrukkelijk naartoe had gewerkt.
De ketel had zijn laatste solopartij gezongen. Hij ging met onverminderde ijver door, maar de krekel speelde nu de eerste viool en stond die plaats niet meer af. Hemel, wat tsjirpte hij! Zijn schrille, scherpe, doordringende stem klonk door het hele huis en leek in de duisternis buiten te fonkelen als een ster. Op zijn luidst zat er een onbeschrijfelijk trillertje en beven in, alsof zijn eigen intense geestdrift hem van zijn pootjes tilde en telkens opnieuw deed opspringen. Toch pasten de krekel en de ketel uitstekend bij elkaar. De strekking van het lied bleef dezelfde, en steeds luider, luider, nóg luider zongen ze het, terwijl ze elkaar probeerden te overtreffen.
De mooie, kleine luisteraarster — want mooi was ze, en jong, al had ze iets van de ronde gestalte die men wel een knoedelfiguurtje noemt, waar ik persoonlijk overigens niets tegen heb — stak een kaars aan, wierp een blik op de hooimaaier boven op de klok, die een heel behoorlijke oogst minuten binnenhaalde, en keek uit het raam. Maar door de duisternis zag ze niets anders dan haar eigen gezicht, weerspiegeld in het glas. En ik vind (en jij zou hetzelfde gevonden hebben) dat ze heel ver had kunnen kijken zonder ook maar iets te zien dat half zo aangenaam was. Toen ze terugkwam en weer op haar oude plaats ging zitten, waren de krekel en de ketel nog altijd verwikkeld in een verbeten wedstrijd. De zwakke plek van de ketel was duidelijk dat hij niet wist wanneer hij verslagen was.
Het had alle spanning van een wedren. Tsjirp, tsjirp, tsjirp! De krekel een mijl voorop. Zoem, zoem, zoe-e-em! De ketel liet zich in de verte gelden als een grote tol. Tsjirp, tsjirp, tsjirp! De krekel de bocht om. Zoem, zoem, zoe-e-em! De ketel bleef hem op zijn eigen manier bijhouden; aan opgeven dacht hij niet. Tsjirp, tsjirp, tsjirp! De krekel frisser dan ooit. Zoem, zoem, zoe-e-em! De ketel langzaam maar gestaag. Tsjirp, tsjirp, tsjirp! De krekel zette aan om hem de genadeslag te geven. Zoem, zoem, zoe-e-em! De ketel liet zich niet afmaken. Totdat hun geluiden in het wilde gejaag en de halsbrekende verwarring van de wedstrijd zo door elkaar gingen lopen dat er een helderder hoofd dan het jouwe of het mijne nodig zou zijn geweest om met enige zekerheid vast te stellen of de ketel tsjirpte en de krekel zoemde, of de krekel tsjirpte en de ketel zoemde, of ze allebei zowel tsjirpten als zoemden. Maar hierover bestaat geen enkele twijfel: precies op hetzelfde ogenblik wisten de ketel en de krekel, door een geheimzinnig vermogen tot samensmelting dat alleen zijzelf kenden, ieder hun lied van geborgenheid bij het haardvuur te laten samenvloeien met een straal kaarslicht, die door het raam scheen tot ver het laantje in. En dit licht, dat plotseling viel op iemand die op datzelfde ogenblik door het donker naderbij kwam, vertelde hem alles letterlijk in een oogwenk en riep: ‘Welkom thuis, oude vriend! Welkom thuis, beste jongen!’
Nu dat doel bereikt was, kookte de ketel, volkomen uitgeput, over en werd van het vuur gehaald. Mevrouw Peerybingle rende daarop naar de deur, waar al gauw, met het geratel van de wielen van een kar, het gestamp van een paard, de stem van een man, een opgewonden hond die als een bezetene naar binnen en buiten schoot, en de onverwachte, geheimzinnige verschijning van een baby, een onbeschrijfelijke heisa ontstond.
Waar de baby vandaan kwam, of hoe mevrouw Peerybingle die in dat ene ogenblik te pakken had gekregen, zou ík niet weten. Maar ze had wel degelijk een levende baby in haar armen, en ze leek er behoorlijk trots op toen een stevig gebouwde man, veel groter en veel ouder dan zij, haar zachtjes naar het vuur trok en zich diep moest bukken om haar te kussen. Maar de moeite was ze waard. Zelfs iemand van zes voet zes met spit in de rug had het ervoor over gehad.
‘O, lieve hemel, John!’ zei mevrouw P. ‘Wat zie je eruit door dat weer!’
Het weer had hem inderdaad flink te pakken gehad, dat viel niet te ontkennen. De dichte mist hing in klodders aan zijn wimpers als gekonfijte dooi, en door de nevel en het vuur waren zelfs in zijn bakkebaarden regenbogen te zien.
‘Tja, Dot,’ antwoordde John langzaam, terwijl hij de sjaal van zijn hals afwikkelde en zijn handen warmde, ‘het... het is niet bepaald zomerweer. Dus geen wonder.’
‘Ik wou dat je me geen Dot meer noemde, John. Ik houd er niet van,’ zei mevrouw Peerybingle, terwijl ze een pruillipje trok waaraan overduidelijk te zien was dat ze er juist heel erg van hield.
‘Wat ben je dan anders?’ vroeg John glimlachend, terwijl hij op haar neerkeek en met zijn reusachtige hand en arm haar middel zo zacht mogelijk even omklemde. ‘Een Dot en...’ — hier wierp hij een blik op de baby — ‘een Dot en eentje onthouden... Nee, ik zal het maar niet zeggen, straks bederf ik het nog. Maar ik was heel dicht bij een grap. Volgens mij ben ik er nog nooit zo dicht bij geweest.’
Hij stond naar eigen zeggen wel vaker op het punt iets heel slims te bedenken, die logge, trage, eerlijke John; die John, zo zwaar van lijf maar zo licht van geest; zo ruw aan de buitenkant, maar zo zacht van binnen; uiterlijk zo traag, maar innerlijk zo scherp; zo onverstoorbaar, maar zo goed! O Moeder Natuur, schenk uw kinderen de ware poëzie van het hart die verborgen lag in de borst van deze eenvoudige voerman — want hij was, tussen haakjes, niet meer dan een voerman — en wij zullen het kunnen verdragen dat ze proza spreken en prozaïsche levens leiden. We zullen u zelfs kunnen zegenen voor hun gezelschap!
Het was een plezier om Dot te zien, klein van stuk, met haar baby in haar armen — een waar popje van een baby — terwijl ze met kokette peinzendheid naar het vuur keek en haar fijne hoofdje net ver genoeg opzij hield om het op een eigenaardige, half natuurlijke, half gekunstelde, maar volkomen aanhankelijke en bekoorlijke manier tegen de grote, ruige gestalte van de voerman te laten rusten. Het was een plezier te zien hoe hij met zijn tedere onhandigheid probeerde zijn robuuste steun aan te passen aan de geringe steun die ze nodig had, en van zijn forse, middelbare gestalte een leunpaal te maken die niet zou misstaan bij haar bloeiende jeugd. Het was een plezier op te merken hoe Tilly Slowboy, die op de achtergrond klaarstond om de baby over te nemen, ondanks haar prille tienerleeftijd bijzondere aandacht had voor dit tafereel. Ze stond met wijdopen mond en ogen en haar hoofd naar voren gestoken, en zoog het geheel in zich op alsof het lucht was. En niet minder aangenaam was het om te zien hoe John, de voerman, toen Dot de aandacht op de bewuste baby vestigde, zijn hand terugtrok juist toen hij het kind wilde aanraken, alsof hij bang was het te breken. Hij boog zich voorover en bekeek het van een veilige afstand met een soort verbaasde trots, zoals een goedmoedige mastiff misschien zou tonen als hij op een dag ontdekte dat hij de vader van een jonge kanarie was geworden.
‘Is hij niet prachtig, John? Ziet hij er niet schattig uit als hij slaapt?’
‘Heel schattig,’ zei John. ‘Werkelijk heel schattig. Hij slaapt toch meestal?’
‘Hemeltje, John! Natuurlijk niet!’
‘O,’ zei John peinzend. ‘Ik dacht dat hij zijn ogen meestal dicht had. Hé, wacht eens!’
‘Lieve hemel, John, wat laat je me schrikken!’
‘Het kan toch niet goed zijn dat hij zijn ogen zo wegdraait!’ zei de verbijsterde voerman. ‘Of wel? Kijk eens hoe hij met allebei tegelijk knippert! En kijk naar zijn mond! Hij hapt naar adem als een goud- of zilvervis!’
‘Je verdient het niet eens om vader te zijn, werkelijk niet,’ zei Dot met alle waardigheid van een ervaren huismoeder. ‘Maar hoe zou jij ook moeten weten van welke kleine kwaaltjes kinderen last kunnen hebben, John! Je kent er niet eens de namen van, domme vent.’ En nadat ze de baby op haar linkerarm had omgedraaid en hem een paar klopjes op zijn rug had gegeven om hem weer bij te brengen, kneep ze haar man lachend in zijn oor.
‘Nee,’ zei John, terwijl hij zijn overjas uittrok. ‘Het is helemaal waar, Dot. Ik weet niet veel van zulke dingen. Ik weet alleen dat ik vanavond flink tegen de wind heb moeten vechten. De hele weg naar huis blies hij uit het noordoosten, recht de kar in.’
‘Ach, mijn arme oude man, dat is waar!’ riep mevrouw Peerybingle, die meteen ijverig in de weer kwam. ‘Hier, neem die kleine schat even over, Tilly, dan kan ik ook wat nuttigs doen. Ach, ik zou hem wel kunnen doodkussen, zo lief vind ik hem! Kom dan, brave hond! Kom, Boxer, jongen! Laat me eerst even thee zetten, John, en daarna help ik je met de pakjes, ijverig als een bijtje. “Hoe doet het kleine...” en de rest ken je wel, John. Heb jij vroeger op school “Hoe doet het kleine...” geleerd, John?’
‘Niet zo goed dat ik het echt ken,’ antwoordde John. ‘Ik was er ooit bijna aan toe. Maar ik zou het vast alleen maar hebben verknoeid.’
‘Ha, ha!’ lachte Dot. Ze had het vrolijkste lachje dat je ooit hebt gehoord. ‘Wat ben je toch een lieve, oude domoor, John!’
Zonder dat ook maar enigszins tegen te spreken, ging John naar buiten om erop toe te zien dat de jongen met de lantaarn, die als een dwaallicht voor de deur en het raam heen en weer had gedanst, goed voor het paard zorgde. Dat paard was dikker dan je zou geloven als ik je zijn omvang vertelde, en zo oud dat zijn geboortedag in de nevelen van de oudheid verloren was gegaan. Boxer vond dat zijn aandacht aan het hele gezin toekwam en eerlijk over iedereen verdeeld moest worden. Daarom stoof hij met een verbijsterende wispelturigheid naar binnen en naar buiten. Nu eens liep hij in een kring om het paard heen, dat bij de staldeur werd afgewreven, terwijl hij korte blafjes uitstootte. Dan weer deed hij alsof hij zijn meesteres woest wilde bespringen, om voor de grap vlak voor haar plotseling tot stilstand te komen. Vervolgens ontlokte hij Tilly Slowboy, die in een lage stoel bij het vuur zat met de baby op schoot, een gil door onverwacht zijn natte neus tegen haar gezicht te drukken. Dan toonde hij weer een opdringerige belangstelling voor de baby, of draaide hij een paar keer rond op de haardplaats en ging liggen alsof hij zich daar voor de nacht had geïnstalleerd. Maar even later stond hij alweer op en verdween met dat schamele stompje dat voor zijn staart moest doorgaan naar buiten, het slechte weer in, alsof hem plotseling een afspraak te binnen was geschoten en hij er in een stevige draf vandoor moest om op tijd te komen.
‘Zo! De theepot staat klaar op de rand van de haard!’ zei Dot, even levendig in de weer als een kind dat vadertje-en-moedertje speelt. ‘En daar is het oude stuk ham aan het bot, en daar staat de boter, en daar ligt het brood met zijn knapperige korst, en alles is er! Hier heb ik de wasmand voor de kleine pakjes, John, als je die bij je hebt. Waar ben je, John?’
‘Laat dat lieve kind vooral niet onder het haardrooster terechtkomen, Tilly, wat je ook doet!’
Hoewel juffrouw Slowboy deze waarschuwing nogal fel van de hand wees, moet toch worden opgemerkt dat ze een zeldzaam en verbazingwekkend talent bezat om deze baby in moeilijkheden te brengen. Ze had zijn nog zo korte leven al verschillende keren in gevaar gebracht, op een rustige manier die helemaal bij haar paste. Deze jongedame was zo mager en recht van gestalte dat haar kleren voortdurend van de scherpe kapstokhaken die haar schouders waren leken te kunnen glijden, waaraan ze maar losjes hingen. Haar kleding viel vooral op doordat bij iedere mogelijke gelegenheid ergens een deel van een eigenaardig gevormd flanellen onderkledingstuk tevoorschijn kwam. Bovendien bood ze op haar rug af en toe een blik op een korset of rijglijf van een doffe, doodgroene kleur. Omdat juffrouw Slowboy voortdurend alles met open mond bewonderde en bovendien onafgebroken verzonken was in de beschouwing van de volmaaktheid van haar meesteres en die van de baby, kon men zeggen dat haar kleine beoordelingsfouten evenzeer haar verstand als haar hart tot eer strekten. En al deden die vergissingen het hoofd van de baby minder eer aan, doordat ze het af en toe in aanraking brachten met vurenhouten deuren, keukenkasten, trapleuningen, bedposten en andere vreemde voorwerpen, toch kwamen ze eerlijk voort uit Tilly Slowboys voortdurende verbazing over het feit dat ze zo vriendelijk werd behandeld en in zo’n gerieflijk huis mocht wonen. Want noch van vader, noch van moeder Slowboy had ooit iemand gehoord, en Tilly was als vondeling op kosten van de openbare armenzorg grootgebracht. En hoewel het woord ‘vondeling’ bijna klinkt als ‘lieveling’, betekent het iets heel anders en duidt het op een heel andere toestand.
Als je de kleine mevrouw Peerybingle met haar man had zien terugkomen, terwijl ze uit alle macht aan de wasmand trok en zich tot het uiterste inspande om helemaal niets te doen (want hij droeg de mand), zou je je bijna evenzeer hebben vermaakt als hij. Misschien vond de krekel het ook wel grappig, dat weet ik niet, maar in ieder geval begon hij nu weer met alle kracht te tsjirpen.
‘Wel heb ik ooit!’ zei John op zijn trage manier. ‘Volgens mij klinkt hij vanavond nog vrolijker dan ooit.’
‘En hij zal ons beslist geluk brengen, John! Dat heeft hij altijd gedaan. Niets ter wereld brengt zoveel geluk als een krekel bij de haard!’
John keek haar aan alsof hij op het punt stond te bedenken dat zij voor hem de allerbelangrijkste krekel was en dat hij het helemaal met haar eens was. Maar vermoedelijk was hij ook ditmaal ternauwernood aan een geestige opmerking ontsnapt, want hij zei niets.
‘De eerste keer dat ik zijn vrolijke geluidje hoorde, John, was op de avond dat je me thuisbracht. Toen je me hier naar mijn nieuwe thuis bracht, als zijn kleine meesteres. Bijna een jaar geleden alweer. Weet je nog, John?’
O ja, John herinnerde het zich. Dat wil ik geloven!
‘Zijn getjirp klonk als zo’n warm welkom! Het leek zoveel te beloven en zoveel moed te geven. Het leek te zeggen dat jij lief en zacht voor me zou zijn en niet zou verwachten — want daar was ik toen bang voor, John — dat er op de schouders van je dwaze jonge vrouwtje een oud en wijs hoofd zou zitten.’
John klopte bedachtzaam op een van die schouders en daarna op het hoofd, alsof hij wilde zeggen: nee, nee, zoiets had hij niet verwacht. Hij was heel tevreden geweest ze te aanvaarden zoals ze waren. En daar had hij ook alle reden toe. Ze waren allebei bijzonder bekoorlijk.
‘Het sprak de waarheid, John, toen het dat leek te zeggen. Want jij bent altijd de beste, de meest zorgzame en de liefste echtgenoot voor me geweest, daar ben ik zeker van. Dit is een gelukkig thuis geweest, John, en daarom houd ik van de krekel!’
‘Dan houd ik ook van hem,’ zei de voerman. ‘Ik ook, Dot.’
‘Ik houd van hem omdat ik hem al zo vaak heb gehoord en omdat zijn onschuldige muziek me zoveel gedachten heeft ingegeven. Soms, in de schemering, wanneer ik me een beetje eenzaam en neerslachtig voelde, John — voordat de baby er was om me gezelschap te houden en het huis op te vrolijken — dacht ik eraan hoe eenzaam jij zou zijn als ik stierf. En hoe eenzaam ik zou zijn als ik zou kunnen weten dat jij mij verloren had, liefste. Dan leek zijn “tsjirp, tsjirp, tsjirp” bij de haard me te vertellen over een andere, kleine stem, zo lief, zo ontzettend dierbaar voor me, dat mijn verdriet als een droom verdween bij de gedachte die stem eens te horen. En wanneer ik bang was — want ik ben ooit bang geweest, John, ik was nog zo jong, weet je — dat ons huwelijk misschien toch geen gelukkige verbintenis zou blijken, omdat ik zelf nog zo’n kind was en jij meer op mijn voogd leek dan op mijn man; wanneer ik vreesde dat je misschien nooit van me zou kunnen leren houden, hoe hard je het ook probeerde en hoezeer je ook hoopte en bad dat het je zou lukken, dan heeft zijn “tsjirp, tsjirp, tsjirp” me telkens weer opgevrolijkt en me nieuw vertrouwen en nieuwe moed gegeven. Aan al die dingen dacht ik vanavond, liefste, toen ik op je zat te wachten. En daarom houd ik van de krekel!’
‘En ik ook,’ herhaalde John. ‘Maar Dot? Dat ík zou hopen en bidden dat ik van je zou leren houden? Hoe kom je erbij! Ik had dat allang geleerd, nog voordat ik je hierheen bracht om de kleine meesteres van de krekel te worden, Dot!’
Ze legde een ogenblik haar hand op zijn arm en keek met een bewogen gezicht naar hem op, alsof ze hem iets wilde vertellen. Het volgende ogenblik zat ze op haar knieën voor de mand, sprak weer op haar opgewekte toon en was druk bezig met de pakjes.
‘Het zijn er vanavond niet veel, John, maar ik zag daarnet nog wat goederen achter op de kar liggen. Die kosten misschien wat meer moeite, maar leveren evengoed wat op, dus we hebben geen reden om te klagen, of wel? Bovendien heb je onderweg vast al het een en ander bezorgd?’
‘O ja,’ zei John. ‘Een heleboel.’
‘Hé, wat is dit voor ronde doos? Lieve hemel, John, het is een bruidstaart!’
‘Dat kun je aan een vrouw overlaten,’ zei John vol bewondering. ‘Een man zou daar nooit op komen. Maar volgens mij kun je een bruidstaart in een theekist stoppen, of in een opklapbed, of in een tonnetje ingelegde zalm, of in wat voor onwaarschijnlijke verpakking dan ook, en een vrouw zou meteen ontdekken wat erin zit. Ja, ik heb hem bij de banketbakker opgehaald.’
‘En hij weegt ik weet niet hoeveel — wel hele centenaars!’ riep Dot, terwijl ze overdreven veel moeite deed om hem op te tillen.
‘Van wie is hij, John? Waar moet hij naartoe?’
‘Lees maar wat er aan de andere kant staat,’ zei John.
‘Maar John! Lieve hemel, John!’
‘Ja! Wie had dat ooit gedacht!’ antwoordde John.
‘Je wilt me toch niet vertellen,’ ging Dot verder, terwijl ze op de vloer ging zitten en haar hoofd naar hem schudde, ‘dat die voor Gruff en Tackleton, de speelgoedmaker, is!’
John knikte.
Mevrouw Peerybingle knikte ook, minstens vijftig keer. Niet om haar instemming te betuigen, maar uit sprakeloze, meewarige verbazing. Ondertussen perste ze haar lippen met alle kracht die erin zat op elkaar (en om samengeperst te worden waren die lippen beslist niet gemaakt, daar ben ik van overtuigd), terwijl ze de goede voerman in haar verstrooidheid doordringend aankeek. Juffrouw Slowboy bezat intussen het bijna mechanische vermogen om flarden van gesprekken die om haar heen werden gevoerd voor het vermaak van de baby te herhalen, waarbij alle betekenis verloren ging en alle zelfstandige naamwoorden in het meervoud veranderden. Zo vroeg ze het jonge schepseltje hardop of het dan Gruffs en Tackletons de speelgoedmakers waren, en of het bij banketbakkers bruidstaarten zou gaan ophalen, en of zijn moeders de dozen herkenden wanneer zijn vaders ze thuisbrachten, enzovoort.
‘En dat gaat dus echt gebeuren!’ zei Dot. ‘Maar zij en ik zaten vroeger samen op school, John.’
Misschien dacht hij op dat ogenblik aan haar zoals ze in die schooltijd was geweest, of stond hij op het punt dat te doen. Hij keek haar met een peinzende, genoeglijke blik aan, maar gaf geen antwoord.
‘En hij is zo oud! En hij past zo weinig bij haar! Hoeveel jaar ouder dan jij is Gruff en Tackleton eigenlijk, John?’
‘Hoeveel koppen thee meer zou ik vanavond in één keer drinken dan Gruff en Tackleton in vier keer, vraag ik me af!’ antwoordde John goedgehumeurd, terwijl hij een stoel bij de ronde tafel schoof en aan de koude ham begon. ‘Wat eten betreft eet ik maar weinig, maar van dat weinige geniet ik dan ook, Dot.’
Zelfs deze uitspraak, die hij gewoonlijk bij de maaltijd deed en die tot zijn onschuldige zelfmisleidingen behoorde (want zijn eetlust was altijd hardnekkig en sprak hem ronduit tegen), ontlokte zijn vrouwtje geen glimlach. Ze stond tussen de pakjes en schoof met haar voet langzaam de doos met de bruidstaart van zich af. Hoewel haar ogen op de grond gericht waren, keek ze niet één keer naar het sierlijke schoentje waarop ze anders zo zorgvuldig lette. Daar stond ze, verdiept in gedachten, zonder acht te slaan op de thee of op John, hoewel hij haar riep en met zijn mes op tafel tikte om haar te laten opschrikken. Pas toen hij opstond en haar arm aanraakte, keek ze hem een ogenblik aan. Daarna haastte ze zich naar haar plaats achter het theeblad en lachte om haar verstrooidheid.
Maar ze lachte niet zoals tevoren. Zowel de manier waarop als de klank van haar lach was volkomen veranderd.
Ook de krekel was opgehouden met tsjirpen. Op de een of andere manier was de kamer lang niet meer zo vrolijk als daarvoor. In de verste verte niet.
‘Zijn dat dan alle pakjes, John?’ vroeg ze, waarmee ze een lange stilte verbrak die de eerlijke voerman had besteed aan een praktische demonstratie van een deel van zijn geliefde uitspraak. Want dat hij genoot van wat hij at, stond vast, ook al kon niemand beweren dat hij weinig at. ‘Zijn dat dan alle pakjes, John?’
‘Dat is alles,’ zei John. ‘Maar... nee... ik...’ Hij legde zijn mes en vork neer en haalde diep adem. ‘Wel heb ik ooit! Ik ben die oude heer helemaal vergeten!’
‘Die oude heer?’
‘In de kar,’ zei John. ‘Toen ik hem voor het laatst zag, lag hij tussen het stro te slapen. Sinds ik binnen ben, heb ik me hem al twee keer bijna herinnerd, maar telkens schoot hij me weer te binnen af. Hé daar! Hallo! Wakker worden! Kom op, beste man!’
Die laatste woorden sprak John buiten bij de deur, waarheen hij zich met de kaars in zijn hand had gehaast.
Juffrouw Slowboy besefte dat er op geheimzinnige wijze sprake was van De Oude Heer. In haar verwarde verbeelding verbond ze aan die benaming bepaalde voorstellingen van godsdienstige aard, en dat bracht haar zo van streek dat ze haastig opstond uit haar lage stoel bij het vuur om bescherming te zoeken bij de rokken van haar meesteres. Toen ze bij de deuropening een oude vreemdeling tegen het lijf liep, ging ze instinctief tot de aanval over met het enige wapen dat ze bij de hand had. En omdat dat wapen toevallig de baby was, ontstond er grote opschudding en schrik, die door de schranderheid van Boxer eerder werden vergroot dan verminderd. Want die brave hond was zorgzamer geweest dan zijn baas en had, naar nu bleek, bij de slapende oude heer de wacht gehouden, voor het geval die ervandoor zou gaan met een paar jonge populieren die achter op de kar waren vastgebonden. Ook nu bleef hij de vreemdeling op de voet volgen. Hij viel diens slobkousen lastig en deed verwoede aanvallen op de knopen.
‘U kunt zo buitengewoon goed slapen, meneer,’ zei John toen de rust was teruggekeerd — de oude heer had intussen blootshoofds en roerloos midden in de kamer gestaan — ‘dat ik haast zou willen vragen waar de andere zes slapers gebleven zijn. Maar dat zou een grap zijn, en ik weet zeker dat ik die zou verknoeien. Toch was ik er heel dicht bij,’ mompelde de voerman grinnikend. ‘Heel dicht bij!’
De vreemdeling had lang, wit haar en een knap gezicht, met trekken die voor een oude man opvallend krachtig en scherp afgetekend waren. Zijn ogen waren donker, helder en doordringend. Hij keek glimlachend om zich heen en begroette de vrouw van de voerman met een plechtige hoofdknik.
Zijn kleding was bijzonder zonderling en ouderwets, alsof ze uit een lang vervlogen tijd stamde. Alles wat hij droeg was bruin. In zijn hand hield hij een grote bruine knuppel of wandelstok, waarmee hij op de vloer sloeg. Daarop klapte het ding uiteen en veranderde in een stoel, waarop hij heel bedaard ging zitten.
‘Kijk!’ zei de voerman tegen zijn vrouw. ‘Zo trof ik hem aan, zittend langs de weg! Zo rechtop als een mijlpaal. En bijna net zo doof.’
‘Zomaar buiten, John!’
‘Buiten,’ antwoordde de voerman, ‘vlak voor het donker werd. “Vracht betaald,” zei hij, en hij gaf me achttien pence. Toen stapte hij in. En nu zit hij hier.’
‘Volgens mij gaat hij alweer, John!’
Helemaal niet. Hij wilde alleen iets zeggen.
‘Als u het goedvindt, zou ik hier blijven totdat iemand me komt ophalen,’ zei de vreemdeling vriendelijk. ‘Trek u maar niets van mij aan.’
Daarop haalde hij een bril uit een van zijn grote zakken en een boek uit een andere, en begon op zijn gemak te lezen. Hij trok zich even weinig van Boxer aan alsof die een tam lammetje was!
De voerman en zijn vrouw wisselden een verbaasde blik. De vreemdeling hief zijn hoofd op, keek van haar naar hem en vroeg:
‘Uw dochter, beste vriend?’
‘Mijn vrouw,’ antwoordde John.
‘Uw nichtje?’ vroeg de vreemdeling.
‘MIJN VROUW!’ brulde John.
‘Werkelijk?’ merkte de vreemdeling op. ‘Is dat zo? Wel erg jong!’
Hij sloeg rustig een bladzijde om en ging verder met lezen. Maar voordat hij twee regels had kunnen lezen, onderbrak hij zichzelf alweer.
‘Baby van u?’
John gaf een reusachtige hoofdknik, die gelijkstond aan een bevestigend antwoord, uitgesproken door een scheepstoeter.
‘Meisje?’
‘JO-O-ONGEN!’ brulde John.
‘Ook nog erg jong, hè?’
Mevrouw Peerybingle viel onmiddellijk in.
‘Twee maanden en drie da-gen! Precies zes weken geleden inge-ënt! De inenting is uitstekend aangesla-gen! Volgens de dokter een buitengewoon mooi ki-ind! Net zo ver ontwikkeld als de meeste kinderen van vijf maanden ou-ud! Hij merkt al van alles op, het is werkelijk won-derbaarlijk! U zult het misschien niet ge-loven, maar hij voelt zijn beentjes nu al!’
Hier hield de kleine moeder, die deze korte zinnen buiten adem in het oor van de oude man had geschreeuwd totdat haar mooie gezicht vuurrood was geworden, de baby voor hem omhoog als een onweerlegbaar en triomfantelijk bewijs. Ondertussen maakte Tilly Slowboy, onder het uitstoten van een welluidend ‘Ketcher, ketcher!’ — dat klonk als onbekende woorden, gezet op de melodie van een bekende niesbui — een paar koeachtige bokkensprongen rond dat volkomen onbewuste, onschuldige wezentje.
‘Luister! Hij wordt inderdaad opgehaald,’ zei John. ‘Er staat iemand voor de deur. Doe open, Tilly.’
Maar voordat ze bij de deur kon komen, werd die al van buitenaf geopend. Het was namelijk een deur van een eenvoudig, ouderwets soort, met een klink die iedereen kon optillen als hij dat wilde. En heel wat mensen wilden dat, want allerlei buren kwamen graag een paar gezellige woorden wisselen met de voerman, al was hij zelf geen groot prater. Toen de deur openging, liet die een klein, mager mannetje binnen, met een bedachtzaam gezicht en een vale gelaatskleur. Hij leek voor zichzelf een overjas te hebben gemaakt van het jute waarmee ooit een oude kist was bekleed. Want toen hij zich omdraaide om de deur te sluiten en het slechte weer buiten te houden, werd op de rug van dat kledingstuk het opschrift G & T zichtbaar, in grote zwarte hoofdletters. Ook het woord GLAS stond er in opvallend dikke letters op.
‘Goedenavond, John!’ zei het mannetje. ‘Goedenavond, mevrouw. Goedenavond, Tilly. Goedenavond, onbekende! Hoe maakt de baby het, mevrouw? En met Boxer gaat het hopelijk ook goed?’
‘Ze maken het allemaal uitstekend, Caleb,’ antwoordde Dot. ‘Je hoeft alleen maar naar dat lieve kind te kijken om dat te zien.’
‘En ik hoef alleen maar naar jou te kijken om te weten dat jij het ook uitstekend maakt,’ zei Caleb.
Toch keek hij haar niet aan. Hij had een dwalende, peinzende blik, die voortdurend op een andere tijd en een andere plaats gericht leek te zijn, ongeacht wat hij zei. En diezelfde beschrijving was evenzeer van toepassing op zijn stem.
‘Of naar John, wat dat betreft,’ zei Caleb. ‘Of naar Tilly, als we toch bezig zijn. En zeker naar Boxer.’
‘Heb je het druk tegenwoordig, Caleb?’ vroeg de voerman.
‘Nou, behoorlijk druk, John,’ antwoordde hij met de verstrooide blik van iemand die op zijn minst naar de steen der wijzen op zoek was. ‘Behoorlijk druk. Er is op het ogenblik nogal veel vraag naar arken van Noach. Ik had de familie graag wat beter uitgewerkt, maar voor die prijs zie ik niet hoe dat moet. Het zou me een hele voldoening geven als je wat duidelijker kon zien welke figuurtjes Sem en Cham voorstellen en welke hun vrouwen zijn. En de vliegen zijn ook niet op schaal, vergeleken met de olifanten, begrijp je! Ach ja! Heb je nog pakjes voor me, John?’
De voerman stak zijn hand in een zak van de jas die hij had uitgetrokken en haalde er een piepklein bloempotje uit, zorgvuldig verpakt in mos en papier.
‘Hier is het!’ zei hij, terwijl hij het met grote voorzichtigheid neerzette. ‘Geen blaadje beschadigd. Het zit vol knoppen!’
De doffe ogen van Caleb lichtten op toen hij het potje aannam en hem bedankte.
‘Niet goedkoop, Caleb,’ zei de voerman. ‘Heel duur in deze tijd van het jaar.’
‘Dat geeft niet. Voor mij zou het goedkoop zijn, wat het ook kostte,’ antwoordde het mannetje. ‘Nog iets anders, John?’
‘Een klein doosje,’ antwoordde de voerman. ‘Alsjeblieft!’
‘”Voor Caleb Plummer,”’ las het mannetje, terwijl hij het adres letter voor letter ontcijferde. ‘”Met geld.” Met geld, John? Volgens mij is dit niet voor mij.’
‘Met zorg,’ verbeterde de voerman, terwijl hij over zijn schouder meekeek. ‘Waar lees jij geld?’
‘O! Natuurlijk!’ zei Caleb. ‘Het klopt helemaal. Met zorg! Ja, ja, het is voor mij. Er had werkelijk “met geld” op kunnen staan als mijn lieve jongen in het gouden Zuid-Amerika nog had geleefd, John. Jij hield van hem als van je eigen zoon, nietwaar? Je hoeft het niet te zeggen. Ik weet het natuurlijk wel. “Caleb Plummer. Met zorg.” Ja, ja, het klopt. Het is een doosje met poppenogen voor het werk van mijn dochter. Ik wou dat haar eigen gezichtsvermogen in een doosje kon zitten, John.’
‘Dat wou ik ook, als het maar mogelijk was!’ riep de voerman.
‘Dank je,’ zei het mannetje. ‘Dat zeg je zo hartelijk. Als je bedenkt dat zij die poppen nooit zal kunnen zien, terwijl ze haar de hele dag zo brutaal aanstaren! Dat is het pijnlijke. Wat ben ik je schuldig, John?’
‘Ik zal jou eens laten zien wat schade is,’ zei John, ‘als je daarnaar vraagt. Dot! Was dat bijna een goede grap?’
‘Nou, zoiets is echt iets voor jou,’ merkte het mannetje op. ‘Dat is jouw vriendelijke manier van doen. Even kijken. Volgens mij is dat alles.’
‘Volgens mij niet,’ zei de voerman. ‘Denk nog eens goed na.’
‘Iets voor onze baas misschien?’ zei Caleb, nadat hij een poosje had nagedacht. ‘Natuurlijk! Daar kwam ik juist voor. Maar mijn hoofd zit zo vol met die arken en al die andere dingen! Hij is hier toch niet geweest?’
‘Hij niet,’ antwoordde de voerman. ‘Hij heeft het veel te druk met vrijen.’
‘Maar hij komt nog wel deze kant op,’ zei Caleb. ‘Hij zei dat ik op weg naar huis aan de bermkant van de weg moest blijven lopen. Dan was de kans tien tegen één dat hij me zou oppikken. Ik kan trouwens maar beter gaan. Zou u zo vriendelijk willen zijn, mevrouw, om me toe te staan heel even in Boxers staart te knijpen?’
‘Maar Caleb! Wat is dat nu voor vraag!’
‘O, laat maar, mevrouw,’ zei het mannetje. ‘Misschien vindt hij het niet prettig. Er is zojuist een kleine bestelling binnengekomen voor blaffende hondjes, en voor zes pence per stuk zou ik ze graag zo natuurgetrouw mogelijk maken. Dat is alles. Laat maar, mevrouw.’
Gelukkig gebeurde het juist op dat ogenblik dat Boxer, zonder dat iemand hem de voorgestelde prikkel hoefde toe te dienen, met grote ijver begon te blaffen. Maar omdat dit betekende dat er een nieuwe bezoeker in aantocht was, besloot Caleb zijn studie naar levend model tot een geschikter ogenblik uit te stellen. Hij nam de ronde doos op zijn schouder en nam haastig afscheid. Die moeite had hij zich kunnen besparen, want op de drempel kwam hij de bezoeker al tegen.
‘O! Daar ben je dus! Wacht maar even. Ik neem je wel mee naar huis. John Peerybingle, mijn groeten. En nog veel meer groeten aan je mooie vrouw. Elke dag knapper! En als het mogelijk is, ook nog beter! En jonger,’ peinsde de spreker zachtjes. ‘Dat is nu juist het duivelse ervan!’
‘Ik zou verbaasd zijn dat u complimenten uitdeelt, meneer Tackleton,’ zei Dot, niet bepaald op haar vriendelijkst, ‘als ik niet wist in welke omstandigheden u verkeert.’
‘Dus je weet er alles van?’
‘Op de een of andere manier heb ik mezelf zover gekregen dat ik het geloof,’ zei Dot.
‘Na een zware strijd, neem ik aan?’
‘Een heel zware.’
Tackleton, de speelgoedhandelaar, die vrijwel iedereen kende onder de naam Gruff en Tackleton — want zo heette de firma, hoewel Gruff lang geleden was uitgekocht en alleen zijn naam had achtergelaten, en volgens sommigen ook zijn aard, als je afging op de betekenis van die naam in het woordenboek — deze Tackleton, de speelgoedhandelaar, was een man van wie de ouders en voogden de ware roeping volkomen verkeerd hadden begrepen.
Als ze hem geldschieter hadden gemaakt, of een gewiekste advocaat, of een deurwaarder, of een makelaar, dan had hij in zijn jeugd zijn wilde haren van ontevredenheid kunnen verliezen. En nadat hij zich naar hartenlust had kunnen uitleven in allerlei kwaadaardige transacties, was hij uiteindelijk misschien zelfs een beminnelijk mens geworden, alleen al omdat dat eens iets fris en nieuws zou zijn geweest.
Maar doordat hij gedwongen was zijn dagen door te brengen met het vreedzame beroep van speelgoedmaker, waarin hij zich voortdurend beknot en geërgerd voelde, was hij een huiselijke boeman geworden die zijn hele leven van kinderen had geleefd en hun onverzoenlijke vijand was.
Hij verachtte alle speelgoed en zou er voor geen geld ter wereld zelf iets van hebben gekocht. Uit pure kwaadaardigheid schepte hij er genoegen in grimmige uitdrukkingen te geven aan de gezichten van de boeren van bruin papier die varkens naar de markt dreven, de omroepers met bellen die aankondigden dat er gewetens van advocaten verloren waren geraakt, de beweegbare oude dames die kousen stopten of pasteien aansneden, en andere soortgelijke voorbeelden uit zijn handelsvoorraad.
Zijn ziel genoot met volle teugen van angstaanjagende maskers, afschuwelijke duveltjes-uit-een-doosje met haar en rode ogen, vampiervliegers en duivelse tuimelaars die niet wilden blijven liggen, maar voortdurend naar voren schoten om baby’s met hun starende blikken de stuipen op het lijf te jagen. Dat speelgoed was zijn enige uitlaatklep, zijn enige veiligheidsventiel.
In zulke uitvindingen was hij een meester. Alles wat ook maar in de verte deed denken aan een nachtmerrie met pony’s vond hij heerlijk.
Hij had er zelfs geld op verloren — en dat deed hij voor zulk speelgoed met opmerkelijk veel plezier — door voor toverlantaarns platen met kobolden te laten maken, waarop de machten der duisternis waren afgebeeld als een soort bovennatuurlijke schaaldieren met mensengezichten.
Aan het nog angstaanjagender maken van afbeeldingen van reuzen had hij een aardig kapitaaltje besteed. En hoewel hij zelf geen schilder was, kon hij met een stukje krijt voor zijn kunstenaars een bepaalde gluiperige grijns op de gezichten van die monsters aangeven, die er gegarandeerd voor zorgde dat iedere jonge heer tussen de zes en elf jaar gedurende de hele kerst- of midzomervakantie zijn gemoedsrust verloor.
Zoals hij met speelgoed omging, zo ging hij ook met andere dingen om, zoals bij de meeste mensen het geval is. Je kunt je dus gemakkelijk voorstellen wat voor buitengewoon aangename kerel er onder de grote groene cape, die tot aan zijn kuiten reikte, helemaal tot aan zijn kin dichtgeknoopt zat. En wat een uitgelezen geest en plezierig gezelschap hij moest zijn, daar in zijn lompe, breedneuzige laarzen met mahoniekleurige schachten.
Toch stond Tackleton, de speelgoedhandelaar, op het punt te trouwen.
Ondanks dat alles ging hij trouwen.
En nog wel met een jonge vrouw. Een mooie, jonge vrouw.
Hij zag er niet bepaald uit als een bruidegom, zoals hij daar in de keuken van de voerman stond, met zijn droge gezicht in een grimas getrokken, zijn lichaam scheef gedraaid, zijn hoed zo diep naar voren geschoven dat die bijna op zijn neusbrug rustte, en zijn handen helemaal onder in zijn zakken gestoken. Zijn hele sarcastische, onaangename wezen leek door één klein hoekje van één klein oog naar buiten te gluren, als de geconcentreerde kwaadaardigheid van een hele zwerm raven.
Maar hij was vastbesloten bruidegom te worden.
‘Over drie dagen. Aanstaande donderdag. De laatste dag van de eerste maand van het jaar. Dat wordt mijn trouwdag,’ zei Tackleton.
Heb ik al verteld dat hij altijd één oog wijd open had en het andere bijna dicht? En dat juist het bijna gesloten oog altijd het meeste uitdrukte? Volgens mij heb ik dat nog niet verteld.
‘Dat wordt mijn trouwdag!’ zei Tackleton, terwijl hij met zijn geld rammelde.
‘Maar dat is ook ónze trouwdag!’ riep de voerman uit.
‘Ha, ha!’ lachte Tackleton. ‘Wat toevallig! Jullie zijn precies zo’n stel als wij. Precies!’
Dots verontwaardiging over deze aanmatigende bewering laat zich niet beschrijven. Wat zou die man nog meer durven beweren? Misschien kon hij zich zelfs voorstellen dat er nog een baby bestond die precies zo was als de hunne. De man was gek.
‘Zeg eens! Ik moet je even spreken,’ mompelde Tackleton, terwijl hij de voerman met zijn elleboog aanstootte en hem een eindje apart nam. ‘Je komt toch op de bruiloft? We zitten immers in hetzelfde schuitje.’
‘Hoezo zitten we in hetzelfde schuitje?’ vroeg de voerman.
‘Een klein verschil, je weet wel,’ zei Tackleton, terwijl hij hem opnieuw aanstootte. ‘Kom anders vooraf eens een avond bij ons doorbrengen.’
‘Waarom?’ vroeg John, verbaasd over deze nadrukkelijke gastvrijheid.
‘Waarom?’ herhaalde de ander. ‘Dat is een nieuwe manier om op een uitnodiging te reageren. Wel, voor het plezier natuurlijk. Voor de gezelligheid, begrijp je, en dat soort dingen!’
‘Ik dacht dat jij nooit gezellig was,’ zei John op zijn eenvoudige, openhartige manier.
‘En schrok het daarvan, dat lieve schatjes, zo zittend bij de vuurtjes. Wat heeft Dot toch zo laten schrikken, vraag ik me af!’ peinsde de voerman, terwijl hij heen en weer liep.
Vanuit het diepst van zijn hart wees hij de insinuaties van de speelgoedhandelaar van de hand, en toch vervulden ze hem met een vaag, onbestemd gevoel van onrust. Want Tackleton was snel van begrip en sluw, terwijl John zich er pijnlijk van bewust was dat hijzelf niet zo vlug van begrip was. Daarom bleef iedere halve toespeling hem kwellen. Hij had er beslist niet de bedoeling mee om iets van wat Tackleton had gezegd in verband te brengen met het ongewone gedrag van zijn vrouw. Maar de twee onderwerpen kwamen nu eenmaal tegelijk in zijn gedachten op, en hij kon ze niet van elkaar gescheiden houden.
Het bed was al gauw klaargemaakt en de bezoeker, die alle aangeboden verfrissingen behalve een kopje thee afsloeg, trok zich terug. Daarna zette Dot — die zich naar eigen zeggen weer helemaal goed voelde, helemaal goed — de grote leunstoel voor haar man in de hoek bij de schoorsteen, stopte zijn pijp en gaf die aan hem. Zelf ging ze op haar gebruikelijke kleine krukje naast hem bij de haard zitten.
Ze wilde nu eenmaal altijd op dat kleine krukje zitten. Ik geloof dat ze een soort idee had dat het een bijzonder lief en verleidelijk krukje was, waarmee ze hem gemakkelijk kon vertederen.
Ik zou durven zeggen dat ze in alle vier de windstreken van de wereld verreweg de beste pijpenstopster was. Het was een schitterend gezicht wanneer ze haar mollige vingertje in de pijpenkop stak en vervolgens door de steel blies om die vrij te maken. En als ze daarmee klaar was, deed ze alsof ze werkelijk dacht dat er nog iets in de steel zat, zodat ze er nog wel twaalf keer doorheen blies. Daarna hield ze de pijp als een verrekijker voor haar oog en tuurde erdoorheen, met een allerliefst, tergend ondeugend grimasje op haar mooie gezicht. Wat tabak betrof, beheerste ze het onderwerp volkomen. En de manier waarop ze de pijp aanstak met een opgerold stukje papier, terwijl de voerman die al in zijn mond had — waarbij ze zijn neus zo dicht naderde zonder hem ook maar een beetje te verschroeien — was kunst, ware kunst.
En de krekel en de ketel, die allebei weer van zich lieten horen, bevestigden het! Het heldere vuur, dat opnieuw oplaaide, bevestigde het! De kleine hooimaaier op de klok, die onopgemerkt zijn werk bleef doen, bevestigde het! En de voerman, wiens voorhoofd zich ontspande en wiens gezicht steeds meer opklaarde, bevestigde het nog het duidelijkst van allemaal.
En terwijl hij rustig en bedachtzaam aan zijn oude pijp trok, terwijl de Hollandse klok tikte, het rode vuur gloeide en de krekel tsjirpte, verscheen de beschermgeest van zijn haard en huis — want dat was de krekel — in de gedaante van een fee in de kamer en riep allerlei beelden van het huiselijke leven om hem heen op. Dots van alle leeftijden en alle afmetingen vulden de kamer. Dots als vrolijke kinderen, die in de velden voor hem uit renden en bloemen plukten; schuchtere Dots, die half terugdeinsden voor de liefdesverklaringen van zijn eigen ruwe gestalte en er zich half gewonnen aan gaven; pasgetrouwde Dots, die bij de deur van de kar stapten en vol verwondering de sleutels van hun nieuwe huishouden in ontvangst namen; kleine, moederlijke Dots, vergezeld van denkbeeldige Slowboys die baby’s droegen om gedoopt te worden; deftige Dots, nog altijd jong en bloeiend, die toekeken hoe hun dochters, allemaal kleine Dots, op landelijke dansfeesten dansten; dikke Dots, omringd en belaagd door hele troepen rozige kleinkinderen; verschrompelde Dots, die op wandelstokken leunden en bevend en wankelend voortschuifelden.
Ook oude voerlieden verschenen, met blinde, oude Boxers aan hun voeten; en nieuwere karren met jongere voerlieden, met de woorden ‘Gebroeders Peerybingle’ op de huif; en zieke, oude voerlieden die door de zachtste handen werden verzorgd; en de met groen begroeide graven van gestorven, lang heengegane voerlieden op het kerkhof. En terwijl de krekel hem al die dingen liet zien — want hij zag ze duidelijk, hoewel zijn ogen onafgebroken op het vuur gericht bleven — werd het hart van de voerman licht en gelukkig. Hij dankte zijn huisgoden uit alle macht en bekommerde zich even weinig meer om Gruff en Tackleton als jij.
Maar wie was die jonge mannenfiguur die dezelfde feeërieke krekel zo dicht bij háár krukje had geplaatst en die daar, als enige, eenzaam bleef staan? Waarom bleef hij zo dicht bij haar, met zijn arm op de schoorsteenmantel geleund, en herhaalde hij voortdurend: ‘Getrouwd! En niet met mij!’
O Dot! O zwakke Dot! Voor die gestalte is in geen van de visioenen van je man een plaats. Waarom is haar schaduw dan op zijn haard gevallen!


