Caleb Plummer en zijn blinde dochter woonden helemaal alleen, zoals dat in verhalenboeken heet — en mogen die verhalenboeken mijn zegen hebben, en hopelijk ook de jouwe, omdat ze in deze alledaagse wereld nog iets te vertellen hebben! — Caleb Plummer en zijn blinde dochter woonden helemaal alleen in een houten huisje dat op een gebarsten notendop leek en in werkelijkheid niet meer was dan een puistje op de vooruitstekende, baksteenrode neus van Gruff en Tackleton. De bedrijfsgebouwen van Gruff en Tackleton waren het opvallendste aan de hele straat, maar Caleb Plummers huisje had je met een paar hamers kunnen neerhalen en de brokstukken op een kar kunnen afvoeren.
Als iemand het huisje van Caleb Plummer na zo’n ingreep al de eer had aangedaan zijn verdwijning op te merken, zou hij de afbraak ongetwijfeld hebben geprezen als een enorme verbetering. Het kleefde aan de gebouwen van Gruff en Tackleton als een zeepok aan de kiel van een schip, een slak aan een deur of een klein trosje paddenstoelen aan de stam van een boom.
Maar het was de kiem waaruit de volgroeide stam van Gruff en Tackleton was voortgekomen. Onder dat bouwvallige dak had de voorlaatste Gruff op bescheiden schaal speelgoed gemaakt voor een generatie jongens en meisjes die inmiddels oud waren geworden, nadat ze met dat speelgoed hadden gespeeld, hadden ontdekt hoe het werkte, het hadden stukgemaakt en ten slotte in slaap waren gevallen.


