Marleys geest
Om te beginnen: Marley was dood. Daar bestond geen enkele twijfel over. Het begrafenisregister was ondertekend doorde geestelijke, de klerk, de begrafenisondernemer en de voornaamste rouwende. Ook Scrooge had zijn handtekeninggezet, en op de beurs stond Scrooges naam borg voor alles waar hij zijn handtekening onder zette. De oude Marley was zodood als een deurspijker.
Let wel! Ik beweer niet dat ik zelf weet wat er zo bijzonder dood is aan een deurspijker. Persoonlijk zou ik eerder geneigdzijn een doodskistspijker te beschouwen als het doodste stuk ijzerwaren dat de handel te bieden heeft. Maar in dievergelijking ligt nu eenmaal de wijsheid van onze voorouders besloten, en ik zal er met mijn ongewijde handen niet aantornen, want anders is het land verloren. Sta mij daarom toe met nadruk te herhalen dat Marley zo dood was als eendeurspijker.
Wist Scrooge dat Marley dood was? Natuurlijk wist hij dat. Hoe had het anders gekund? Scrooge en hij waren al ik weetniet hoeveel jaar zakenpartners geweest. Scrooge was zijn enige executeur-testamentair, zijn enige boedelbeheerder, zijnenige rechtsopvolger, zijn enige erfgenaam van wat er verder nog overbleef, zijn enige vriend en de enige die om hemrouwde. Zelfs Scrooge was echter niet zó diep getroffen door die droevige gebeurtenis dat hij op de dag van de begrafenisgeen uitstekende zaken meer kon doen. Hij luisterde de plechtigheid zelfs op met een onmiskenbaar voordeligeovereenkomst.
De vermelding van Marleys begrafenis brengt me terug bij mijn uitgangspunt. Het staat buiten kijf dat Marley dood was.Dat moet volstrekt duidelijk zijn, anders kan er niets wonderlijks zijn aan het verhaal dat ik ga vertellen. Als we er nietvolkomen van overtuigd waren dat Hamlets vader al vóór het begin van het toneelstuk was gestorven, zou zijn nachtelijkewandeling bij oostenwind over zijn eigen vestingwallen niets opmerkelijker zijn dan die van een willekeurige andere heervan middelbare leeftijd die zo onbezonnen was om zich na het vallen van de avond op een winderige plek te begeven —op het kerkhof van Saint Paul’s, bijvoorbeeld — enkel om zijn zoon, die toch al niet sterk van geest was, letterlijk metverbijstering te slaan.
Scrooge had de naam van de oude Marley nooit laten overschilderen. Jaren later stond die nog altijd boven de deur vanhet pakhuis: Scrooge en Marley. Zo heette de firma. Mensen die nieuw waren in de zakenwereld noemden Scrooge somsScrooge en soms Marley, maar hij luisterde naar allebei de namen. Het maakte hem niets uit.
O, wat was Scrooge toch een vrekkige oude zwoeger! Een uitknijper, een uitwringer, een graaier, een schraper, iemanddie alles naar zich toe trok en niets meer losliet, een hebzuchtige oude zondaar! Hard en scherp als vuursteen, waaruitgeen staal ooit een vonk van vrijgevigheid had weten te slaan; gesloten, in zichzelf gekeerd en eenzelvig als een oester. Dekou in zijn binnenste verstarde zijn oude gelaatstrekken, kneep zijn spitse neus samen, verschrompelde zijn wangen enmaakte zijn tred stijf. Ze kleurde zijn ogen rood en zijn dunne lippen blauw en klonk scherp door in zijn schurende stem.Een laagje rijp lag op zijn hoofd, zijn wenkbrauwen en zijn borstelige kin. Hij droeg zijn eigen lage temperatuur altijd metzich mee: zelfs tijdens de hondsdagen hield hij zijn kantoor ijskoud, en met Kerstmis liet hij het nog geen graad warmerworden.
Warmte en kou van buitenaf hadden weinig invloed op Scrooge. Geen hitte kon hem verwarmen en geen winterkou konhem verkillen. Geen wind was guurder dan hij, geen vallende sneeuw vastberadener, geen striemende regen mindervatbaar voor smeekbeden. Slecht weer wist zich geen raad met hem. De zwaarste regen, sneeuw, hagel en natte sneeuwhadden maar in één opzicht iets op hem voor: ze vielen vaak met gulle hand neer, terwijl Scrooge nooit iets met gullehand gaf.
Niemand hield hem ooit op straat staande om met een vrolijk gezicht te zeggen: ‘Beste Scrooge, hoe gaat het met je?Wanneer kom je eens bij me langs?’ Geen bedelaar smeekte hem om een aalmoes, geen kind vroeg hem hoe laat het wasen geen man of vrouw had hem in zijn hele leven ook maar één keer de weg naar een of andere plaats gevraagd. Zelfs dehonden van blinde mensen leken hem te kennen. Wanneer ze hem zagen aankomen, trokken ze hun baas een portiek ofeen steeg in en kwispelden vervolgens met hun staart, alsof ze wilden zeggen: ‘Liever helemaal geen ogen dan het bozeoog, blinde baas!’
Maar wat kon het Scrooge schelen! Dat was precies zoals hij het graag had. Zich langs de drukke levenspaden wringen endaarbij elke vorm van menselijke sympathie waarschuwen uit de buurt te blijven — dat was voor Scrooge, zoals kennerszeggen, smullen geblazen.
Op een dag — uitgerekend op kerstavond, van alle mooie dagen van het jaar — zat de oude Scrooge druk te werken in zijnkantoor. Het was guur, kil en snijdend koud, en mistig bovendien. Buiten op de binnenplaats hoorde hij hoe mensenpiepend en hijgend heen en weer liepen, zich met hun handen op de borst sloegen en met hun voeten op de straatstenenstampten om warm te worden. De stadsklokken hadden nog maar net drie uur geslagen, maar het was al aardedonker —het was de hele dag niet licht geweest — en achter de ramen van de kantoren in de buurt flakkerden kaarsen als rossigevegen in de haast tastbare, bruine lucht. Door elke kier en elk sleutelgat stroomde de mist naar binnen. Buiten was die zodicht dat de huizen aan de overkant, hoewel de binnenplaats uiterst smal was, niet meer dan schimmen leken. Wie degrauwe wolk zag neerdalen en alles zag verhullen, zou hebben gedacht dat de natuur hier vlakbij woonde en op groteschaal iets stond te brouwen.
De deur van Scrooges kantoor stond open, zodat hij zijn klerk in de gaten kon houden. Die zat in een somber klein hokdaarachter, een soort afgesloten bak, brieven over te schrijven. Scrooge had een heel klein vuurtje, maar dat van de klerkwas zoveel kleiner dat het op één enkele gloeiende kool leek. Hij kon er geen kolen bij doen, want Scrooge bewaarde dekolenbak in zijn eigen kamer. En telkens wanneer de klerk met de kolenschop bij hem binnenkwam, liet zijn baasverstaan dat ze dan wel eens uit elkaar zouden moeten gaan. Daarom sloeg de klerk zijn witte sjaal om en probeerde hijzich aan de kaars te warmen. Maar omdat hij niet over een bijzonder levendige verbeelding beschikte, lukte dat niet.
‘Een vrolijk kerstfeest, oom! God zegene u!’ riep een opgewekte stem. Het was de stem van Scrooges neef, die zoonverwacht verscheen dat Scrooge pas door die woorden merkte dat hij eraan kwam.
‘Bah!’ zei Scrooge. ‘Flauwekul!’
Zijn neef had zo stevig doorgelopen in de mist en de vrieskou dat hij helemaal gloeide. Zijn knappe gezicht was roodaangelopen, zijn ogen schitterden en zijn adem vormde wolkjes in de koude lucht.
‘Kerstmis is flauwekul, oom?’ zei Scrooges neef. ‘Dat meent u toch niet?’
‘Dat meen ik wel,’ zei Scrooge. ‘Vrolijk kerstfeest! Welk recht heb jij om vrolijk te zijn? Welke reden heb jij om vrolijk tezijn? Je bent arm genoeg.’
‘Nou dan,’ antwoordde de neef opgewekt, ‘welk recht hebt u om somber te zijn? Waarom zou u zo nors zijn? U bent rijkgenoeg.’
Omdat Scrooge zo gauw geen beter antwoord wist, zei hij opnieuw: ‘Bah!’ en liet erop volgen: ‘Flauwekul!’
‘Doe toch niet zo knorrig, oom!’ zei zijn neef.
‘Wat moet ik anders,’ antwoordde de oom, ‘als ik in een wereld vol dwazen leef? Vrolijk kerstfeest! Weg met dat vrolijkekerstfeest! Wat is Kerstmis voor jou anders dan een tijd om rekeningen te betalen terwijl je geen geld hebt; een tijdwaarin je ontdekt dat je weer een jaar ouder bent geworden zonder er ook maar een uur rijker op te zijn geworden; eentijd om de boeken op te maken en elke post daarin van twaalf volle maanden als een aanklacht tegen je te zien opduiken?Als ik mijn zin kreeg,’ zei Scrooge verontwaardigd, ‘zou elke idioot die met “Vrolijk kerstfeest” op de lippen rondloopt,samen met zijn eigen pudding gekookt en met een staak van hulsthout door zijn hart begraven worden. Jazeker!’
‘Oom!’ smeekte zijn neef.
‘Neef!’ antwoordde de oom streng. ‘Vier Kerstmis op jouw manier en laat mij het op de mijne vieren.’
‘Vieren?’ herhaalde zijn neef. ‘Maar u viert het helemaal niet.’
‘Laat mij er dan niets mee te maken hebben,’ zei Scrooge. ‘Ik hoop dat het je veel goeds brengt! Alsof het je ooit iets goedsheeft gebracht!’
‘Er zijn vast heel wat dingen die me goed hebben gedaan zonder dat ik er iets aan heb verdiend,’ antwoordde zijn neef. ‘Kerstmis is daar een van. Maar ik heb de kersttijd, telkens wanneer die aanbrak, altijd beschouwd als een goede tijd — nog afgezien van de eerbied die zijn heilige naam en oorsprong verdienen, voor zover je iets wat met Kerstmis te maken heeft daarvan los kunt zien. Een tijd van vriendelijkheid, vergeving, vrijgevigheid en vreugde; de enige tijd in het hele lange jaar waarin mannen en vrouwen als bij stilzwijgende afspraak hun gesloten harten wagenwijd openzetten en mensen die het minder goed hebben dan zij, beschouwen als medereizigers op weg naar het graf, in plaats van als een ander soort wezens die een heel andere bestemming hebben. En daarom, oom, geloof ik dat Kerstmis me goed heeft gedaan en me ook in de toekomst goed zal doen, al heeft het me nooit een stukje goud of zilver in mijn zak gebracht. En daarom zeg ik: God zegene Kerstmis!’
De klerk in zijn hok begon onwillekeurig te applaudisseren. Zodra hij besefte hoe ongepast dat was, porde hij in het vuur en doofde daarmee voorgoed het laatste zwakke vonkje.
‘Als ik van jou nog één kik hoor,’ zei Scrooge, ‘dan kun je Kerstmis vieren zonder baan! Je bent nogal een redenaar, meneer,’ voegde hij eraan toe, terwijl hij zich tot zijn neef wendde. ‘Het verbaast me dat je niet in het parlement zit.’
‘Wees toch niet boos, oom. Kom morgen bij ons eten!’
Scrooge zei dat hij zijn neef nog liever... Jawel, dat zei hij echt. Hij maakte de uitdrukking helemaal af en verklaarde dat hij zijn neef nog liever in de hel zou zien.
‘Maar waarom?’ riep Scrooges neef uit. ‘Waarom?’
‘Waarom ben je getrouwd?’ vroeg Scrooge.
‘Omdat ik verliefd werd.’
‘Omdat je verliefd werd!’ bromde Scrooge, alsof er op de hele wereld maar één ding bestond dat nog belachelijker was dan een vrolijk kerstfeest. ‘Goedemiddag!’
‘Maar oom, u kwam ook vóór mijn huwelijk nooit bij me langs. Waarom voert u het dan nu aan als reden om niet te komen?’
‘Goedemiddag,’ zei Scrooge.
‘Ik wil niets van u hebben en ik vraag u nergens om. Waarom kunnen we geen vrienden zijn?’
‘Goedemiddag,’ zei Scrooge.
‘Het spijt me oprecht dat u zo onverzettelijk bent. We hebben nooit ruzie gehad, tenminste niet door mijn toedoen. Maar ter ere van Kerstmis wilde ik het toch proberen, en ik ben vastbesloten mijn goede kerststemming tot het einde toe te bewaren. Dus: een vrolijk kerstfeest, oom!’
‘Goedemiddag!’ zei Scrooge.
‘En een gelukkig nieuwjaar!’
‘Goedemiddag!’ zei Scrooge.
Toch verliet zijn neef de kamer zonder ook maar één boos woord te zeggen. Bij de buitendeur bleef hij staan om de klerk zijn kerstwensen over te brengen. Hoe koud die het ook had, hij was heel wat warmer dan Scrooge, want hij beantwoordde de wensen hartelijk.
‘Daar heb je er nog zo een,’ mompelde Scrooge, die het had gehoord. ‘Mijn klerk, met vijftien shilling per week en een vrouw en kinderen te onderhouden, praat over een vrolijk kerstfeest. Ik kan me maar beter in Bedlam laten opnemen.’
Die gek had bij het uitlaten van Scrooges neef ook twee andere bezoekers binnengelaten. Het waren twee gezette heren met een vriendelijk voorkomen, die nu met hun hoed in de hand in Scrooges kantoor stonden. Ze hadden boeken en papieren bij zich en maakten een buiging voor hem.
‘Scrooge en Marley, als ik het goed heb,’ zei een van de heren, terwijl hij zijn lijst raadpleegde. ‘Heb ik het genoegen met meneer Scrooge of meneer Marley te spreken?’
‘Meneer Marley is al zeven jaar dood,’ antwoordde Scrooge. ‘Hij is precies zeven jaar geleden overleden, op deze avond.’
‘Wij twijfelen er niet aan dat zijn vrijgevigheid bij zijn overgebleven zakenpartner in goede handen is,’ zei de heer, terwijl hij Scrooge zijn papieren overhandigde.
Dat was ongetwijfeld het geval, want de twee waren altijd geestverwanten geweest. Bij het onheilspellende woord ‘vrijgevigheid’ fronste Scrooge zijn wenkbrauwen, schudde zijn hoofd en gaf de papieren terug.
‘In deze feestelijke tijd van het jaar, meneer Scrooge,’ zei de heer, terwijl hij een pen pakte, ‘is het nog belangrijker dan anders dat we iets doen voor de armen en behoeftigen, die het momenteel bijzonder zwaar hebben. Vele duizenden moeten het zonder de eerste levensbehoeften stellen, en honderdduizenden ontberen zelfs de eenvoudigste gemakken, meneer.’
‘Zijn er soms geen gevangenissen?’ vroeg Scrooge.
‘Gevangenissen genoeg,’ zei de heer, terwijl hij zijn pen weer neerlegde.
‘En de werkhuizen van de armenzorg?’ vroeg Scrooge. ‘Zijn die nog in bedrijf?’
‘Jazeker. Al zou ik willen dat ik kon zeggen van niet,’ antwoordde de heer.
‘Dus de tredmolens draaien nog en de Armenwet is nog van kracht?’ vroeg Scrooge.
‘Ze zijn allebei nog volop in werking, meneer.’
‘O! Toen u begon te praten, was ik even bang dat er iets was gebeurd waardoor ze hun nuttige werk niet langer konden voortzetten,’ zei Scrooge. ‘Ik ben erg blij dat te horen.’
‘Omdat wij van mening zijn dat die instellingen de grote menigte nauwelijks enige christelijke troost bieden, geestelijk noch lichamelijk,’ antwoordde de heer, ‘proberen enkelen van ons een fonds bijeen te brengen om de armen van eten, drinken en warmte te voorzien. We hebben juist deze tijd gekozen omdat het gebrek nu sterker wordt gevoeld dan ooit, terwijl degenen die in overvloed leven feestvieren. Voor welk bedrag mag ik u noteren?’
‘Niets!’ antwoordde Scrooge.
‘Wilt u liever anoniem blijven?’
‘Ik wil met rust gelaten worden,’ zei Scrooge. ‘Nu u me vraagt wat ik wil, heren, is dat mijn antwoord. Zelf vier ik geen Kerstmis en ik kan het me niet veroorloven luiaards een vrolijk kerstfeest te bezorgen. Ik draag al bij aan de instellingen die ik zojuist heb genoemd — die kosten me genoeg — en wie het slecht heeft, moet daar maar heen gaan.’
‘Veel mensen kunnen daar niet terecht, en velen sterven nog liever.’
‘Als ze liever doodgaan,’ zei Scrooge, ‘kunnen ze dat maar beter doen. Dan neemt het bevolkingsoverschot tenminste af. Bovendien — neemt u me niet kwalijk — weet ik niet eens of dat waar is.’
‘Maar u zou het kunnen weten,’ merkte de heer op.
‘Dat gaat mij niets aan,’ antwoordde Scrooge. ‘Een mens heeft er zijn handen al vol aan zijn eigen zaken te begrijpen, zonder zich ook nog met die van anderen te bemoeien. Mijn zaken nemen al mijn tijd in beslag. Goedemiddag, heren!’
Toen de heren inzagen dat verder aandringen geen zin had, vertrokken ze. Scrooge ging weer aan het werk, met een nog hogere dunk van zichzelf en meer zin in schampere grappen dan gewoonlijk.
Intussen werden de mist en de duisternis zo dicht dat er mensen met flakkerende fakkels rondliepen die hun diensten aanboden om voor de paarden van de rijtuigen uit te gaan en de weg te wijzen. De oude kerktoren, waarvan de brommerige klok altijd vanuit een gotisch venster in de muur tersluiks op Scrooge leek neer te kijken, verdween volledig uit het zicht. Hoog in de wolken sloeg de klok de uren en kwartieren, waarna haar trillende nagalm klonk alsof ze daarboven, in haar bevroren hoofd, zat te klappertanden. De kou werd steeds heviger. In de hoofdstraat, op de hoek bij de binnenplaats, waren enkele arbeiders bezig de gasleidingen te repareren. Ze hadden een groot vuur aangestoken in een vuurkorf, waar een groep mannen en jongens in lompen zich omheen had verzameld. Ze warmden hun handen en knipperden verrukt met hun ogen in de felle gloed. Het water dat uit een eenzaam achtergebleven brandkraan was gestroomd, vroor nors vast tot ijs dat van de mensheid niets moest hebben. Het heldere licht uit de winkels, waar hulsttakjes en bessen knetterden in de warmte van de lampen achter de ramen, gaf de bleke gezichten van voorbijgangers een rossige gloed. De handel van poeliers en kruideniers was een kostelijke vertoning geworden: een schitterend schouwspel waarbij je je nauwelijks kon voorstellen dat zoiets saais als kopen en verkopen er iets mee te maken had. De Lord Mayor gaf vanuit zijn bolwerk, het imposante Mansion House, zijn vijftig koks en butlers opdracht om Kerstmis te vieren zoals dat in het huishouden van een Lord Mayor hoorde. En zelfs de kleine kleermaker, die hij de maandag ervoor een boete van vijf shilling had opgelegd wegens dronkenschap en bloeddorstig gedrag op straat, stond op zijn zolderkamertje in de pudding voor de volgende dag te roeren, terwijl zijn magere vrouw met de baby op pad ging om rundvlees te kopen.
De mist werd nog dichter en de kou nog heviger. Stekende, doordringende, bijtende kou. Als de goede Sint-Dunstan de Boze eens in zijn neus had geknepen met een vleugje van deze kou, in plaats van met zijn gebruikelijke wapens, dan had die pas werkelijk uit volle borst gebruld. De bezitter van een klein, jeugdig neusje, waaraan de hongerige kou knaagde en knabbelde zoals honden aan botten knagen, bukte zich naar Scrooges sleutelgat om hem op een kerstlied te trakteren. Maar bij de eerste klanken van:
‘God zegene u, vrolijke heer! Laat niets u ooit bedroeven!’
greep Scrooge zo woest naar zijn liniaal dat de zanger doodsbang op de vlucht sloeg en het sleutelgat overliet aan de mist en de vorst, die daar nog beter op zijn plaats was.
Eindelijk brak het uur aan waarop het kantoor gesloten kon worden. Met tegenzin kwam Scrooge van zijn kruk en gaf hij de verwachtingsvol wachtende klerk in zijn hok zonder een woord te kennen dat het zover was. Die blies onmiddellijk zijn kaars uit en zette zijn hoed op.
‘Je wilt morgen zeker de hele dag vrij hebben?’ zei Scrooge.
‘Als u het goedvindt, meneer.’
‘Ik vind het helemaal niet goed,’ zei Scrooge, ‘en eerlijk is het ook niet. Als ik er een halve kroon voor op je loon zou inhouden, zou je je schandelijk behandeld voelen, daar durf ik om te wedden.’
De klerk glimlachte flauwtjes.
‘En toch,’ vervolgde Scrooge, ‘vind je niet dat ík schandelijk behandeld word wanneer ik een dagloon betaal zonder dat er iets voor gewerkt wordt.’
De klerk merkte op dat het maar één keer per jaar voorkwam.
‘Een armzalig excuus om een man iedere vijfentwintigste december zijn zakken te rollen!’ zei Scrooge, terwijl hij zijn dikke overjas tot aan zijn kin dichtknoopte. ‘Maar goed, ik neem aan dat je de hele dag vrij moet hebben. Zorg dan dat je de volgende ochtend extra vroeg hier bent.’
De klerk beloofde dat hij dat zou doen, en Scrooge vertrok met een nijdig gebrom. Het kantoor was in een oogwenk gesloten. De klerk, bij wie de lange uiteinden van zijn witte sjaal tot onder zijn middel bungelden (want een overjas bezat hij niet), ging vervolgens op Cornhill twintig keer achter een rij jongens aan over een gladde ijsbaan glijden, ter ere van kerstavond. Daarna rende hij zo hard hij kon naar huis, in Camden Town, om blindemannetje te spelen.
Scrooge gebruikte zijn sombere avondmaaltijd in de sombere herberg waar hij altijd kwam. Nadat hij alle kranten had gelezen en de rest van de avond had doorgebracht met zijn bankboek, ging hij naar huis om te slapen. Hij woonde in een aantal kamers die vroeger aan zijn overleden zakenpartner hadden toebehoord. Het waren duistere vertrekken in een somber, dreigend gebouw aan een binnenplaats. Het gebouw stond daar zo misplaatst dat je bijna zou denken dat het er als jong huis naartoe was gerend om verstoppertje te spelen met de andere huizen, en vervolgens de weg naar buiten niet meer had kunnen vinden. Inmiddels was het oud en vervallen genoeg, en ook somber genoeg, want behalve Scrooge woonde er niemand meer. Alle andere kamers werden als kantoorruimte verhuurd. De binnenplaats was zo donker dat zelfs Scrooge, die iedere steen kende, zijn handen moest uitsteken om de weg te vinden. Mist en rijp hingen zo dicht rond de oude, zwarte toegangspoort dat het leek alsof de Geest van het Weer op de drempel zat, verzonken in droevige overpeinzingen.
Nu is het een feit dat er aan de deurklopper niets bijzonders was, behalve dat hij uitzonderlijk groot was. Het is ook een feit dat Scrooge hem gedurende de hele tijd dat hij daar woonde iedere ochtend en iedere avond had gezien. Bovendien bezat Scrooge even weinig van wat men verbeeldingskracht noemt als wie dan ook in de stad Londen, met inbegrip van — en dat wil wat zeggen — het stadsbestuur, de wethouders en de leden van de gilden. Bedenk daarbij ook dat Scrooge geen moment meer aan Marley had gedacht sinds hij die middag voor het laatst over zijn zeven jaar geleden overleden zakenpartner had gesproken. Laat iemand mij dan maar eens uitleggen, als hij dat kan, hoe het kwam dat Scrooge, terwijl zijn sleutel al in het deurslot stak, in de deurklopper plotseling niet langer een deurklopper zag, maar het gezicht van Marley, zonder dat er enige geleidelijke verandering aan vooraf was gegaan.
Marleys gezicht. Het lag niet in een ondoordringbare schaduw, zoals de andere voorwerpen op de binnenplaats, maar werd omgeven door een akelig schijnsel, als een bedorven kreeft in een donkere kelder. Het keek niet boos of woest, maar zag Scrooge aan zoals Marley hem vroeger altijd had aangekeken, met zijn spookachtige bril omhooggeschoven op zijn al even spookachtige voorhoofd. Zijn haar bewoog op een merkwaardige manier, alsof er een ademtocht of een stroom warme lucht doorheen streek. En hoewel zijn ogen wijd openstonden, bewogen ze geen ogenblik. Dat, samen met de lijkbleke kleur van zijn gezicht, maakte de verschijning afschuwelijk. Maar het afschuwelijke leek niet uit de gezichtsuitdrukking zelf voort te komen; het was alsof het gezicht er niets aan kon doen en er geen enkele macht over had.
Terwijl Scrooge dit verschijnsel strak aanstaarde, veranderde het weer in een gewone deurklopper.
Het zou niet waar zijn te beweren dat hij niet schrok, of dat er niet een huivering door zijn bloed ging zoals hij die sinds zijn kindertijd niet meer had gevoeld. Maar hij pakte de sleutel weer vast, die hij had losgelaten, draaide die resoluut om, stapte naar binnen en stak zijn kaars aan.
Hij aarzelde inderdaad even voordat hij de deur sloot, en hij keek eerst voorzichtig achter de deur, alsof hij half verwachtte daar tot zijn ontzetting Marleys haarvlecht de gang in te zien steken. Maar aan de achterkant van de deur bevonden zich alleen de schroeven en moeren waarmee de klopper was bevestigd. Dus zei hij: ‘Ach, onzin!’ en smeet de deur met een klap dicht.
Het geluid dreunde als een donderslag door het huis. Iedere kamer boven en ieder vat in de wijnkelders van de wijnhandelaar beneden leek zijn eigen reeks echo’s voort te brengen. Scrooge was niet iemand die zich door echo’s liet afschrikken. Hij grendelde de deur af, liep door de hal en begon de trap op te klimmen. Langzaam bovendien, terwijl hij onderweg de pit van zijn kaars bijknipte.
Men mag dan wel eens zeggen dat je met een koets en zes paarden een brede oude trap op kunt rijden, of dwars door een ondeugdelijke nieuwe wet heen kunt gaan, maar ik verzeker je dat je over deze trap zelfs een lijkwagen omhoog had kunnen krijgen, en dan nog in de breedte, met de trekstang naar de muur en het portier naar de trapleuning. En dat zonder enige moeite. Er was meer dan genoeg ruimte voor. Misschien was dat wel de reden waarom Scrooge meende in de duisternis een lijkwagen te zien die uit zichzelf voor hem uit de trap op reed. Zelfs zes gaslantaarns van de straat zouden de ingang nog niet behoorlijk hebben verlicht, dus je kunt je voorstellen hoe donker het er was bij het schijnsel van Scrooges armzalige talgkaars.
Scrooge liep verder naar boven en trok zich er geen zier van aan. Duisternis kost niets, en Scrooge hield ervan. Maar voordat hij de zware deur van zijn woning achter zich sloot, liep hij al zijn kamers door om te controleren of alles in orde was. Hij herinnerde zich het gezicht nog net goed genoeg om daar behoefte aan te hebben.
De zitkamer, de slaapkamer, de rommelkamer. Alles was zoals het hoorde. Niemand onder de tafel, niemand onder de sofa. Een klein vuur in de haard, een lepel en een kom die klaarstonden, en op de haardrand een pannetje dunne pap (Scrooge was verkouden). Niemand onder het bed, niemand in de kast, niemand in zijn kamerjas, die op een verdachte manier tegen de muur hing. Ook de rommelkamer was zoals altijd. Een oud haardscherm, oude schoenen, twee vismanden, een wasstandaard op drie poten en een vuurpook.
Toen hij zich ervan had overtuigd dat alles in orde was, sloot hij de deur en draaide die op slot. Hij draaide hem zelfs dubbel op slot, iets wat hij anders nooit deed. Nu hij zich zo tegen onverwacht bezoek had beveiligd, deed hij zijn halsdoek af, trok zijn kamerjas en pantoffels aan, zette zijn slaapmuts op en ging voor het vuur zitten om zijn pap te eten.
Het vuur was werkelijk heel klein, veel te klein voor zo’n bitterkoude avond. Hij moest er vlak voor gaan zitten en er bijna boven hangen om uit dat handjevol brandstof ook maar een beetje warmte te halen. De haard was oud en lang geleden aangelegd door een Hollandse koopman. Rondom was hij bekleed met merkwaardige Hollandse tegels waarop taferelen uit de Bijbel stonden afgebeeld. Er waren Kaïns en Abels, dochters van de farao, koninginnen van Seba, engelen die op wolken zo zacht en dik als verenbedden door de lucht neerdaalden, Abrahams, Belsazars en apostelen die in bootjes als botervlootjes zee kozen. Honderden figuren die zijn gedachten hadden kunnen afleiden. En toch verscheen telkens weer dat gezicht van Marley, die al zeven jaar dood was, als de staf van de oude profeet, en verslond al het andere. Als iedere gladde tegel aanvankelijk blanco was geweest en de onsamenhangende flarden van zijn gedachten zich daarop tot een afbeelding hadden kunnen vormen, zou op iedere tegel het hoofd van de oude Marley zijn verschenen.
‘Flauwekul!’ zei Scrooge, en hij liep de kamer door.
Nadat hij een paar keer heen en weer was gelopen, ging hij weer zitten. Toen hij zijn hoofd achterover tegen de rugleuning van zijn stoel liet rusten, viel zijn blik toevallig op een bel die in de kamer hing. De bel werd niet meer gebruikt, maar had ooit, om een inmiddels vergeten reden, in verbinding gestaan met een vertrek op de bovenste verdieping van het gebouw. Tot zijn grote verbazing, en met een vreemd, onverklaarbaar gevoel van angst, zag hij de bel, terwijl hij ernaar keek, beginnen te slingeren. Aanvankelijk bewoog hij zo zachtjes dat hij nauwelijks geluid maakte, maar al spoedig begon hij luid te rinkelen, en tegelijk begonnen alle andere bellen in het huis te luiden.
Misschien duurde het een halve minuut, misschien een hele, maar voor Scrooge leek het wel een uur. Alle bellen hielden tegelijk op, net zoals ze tegelijk waren begonnen. Daarop klonk diep beneden hem een luid gerammel, alsof iemand een zware ketting over de vaten in de kelder van de wijnhandelaar sleepte. Scrooge herinnerde zich toen dat hij weleens had gehoord dat geesten in spookhuizen kettingen achter zich aan sleepten.
Met een dreun vloog de kelderdeur open. Daarna hoorde hij het gerammel veel luider op de verdiepingen onder hem. Vervolgens kwam het de trap op en ten slotte recht op zijn deur af.
‘Het is nog altijd flauwekul!’ zei Scrooge. ‘Ik geloof er niets van.’
Toch trok de kleur uit zijn gezicht toen het geluid zonder ook maar even te stoppen dwars door de zware deur heen kwam en de verschijning voor zijn ogen de kamer binnenging. Op het moment dat ze binnenkwam, laaide de bijna gedoofde vlam plotseling op, alsof ze uitriep: ‘Ik ken hem! De geest van Marley!’ Daarna zakte ze weer in.
Hetzelfde gezicht: precies hetzelfde. Marley, met zijn haarvlecht, zijn vertrouwde vest, zijn nauwsluitende broek en zijn laarzen. De kwastjes aan zijn laarzen stonden recht overeind, net als zijn haarvlecht, de panden van zijn jas en het haar op zijn hoofd. De ketting die hij achter zich aan sleepte, zat om zijn middel vastgegespt. Ze was lang en kronkelde als een staart om hem heen. Ze bestond — Scrooge bekeek haar aandachtig — uit geldkistjes, sleutels, hangsloten, grootboeken, eigendomsakten en zware geldbuidels, allemaal van staal gesmeed. Zijn lichaam was doorzichtig, zodat Scrooge dwars door zijn vest heen de twee knopen aan de achterkant van zijn jas kon zien.
Scrooge had vaak horen zeggen dat Marley geen hart in zijn lijf had, maar tot nu toe had hij dat nooit geloofd.
Nee, zelfs nu geloofde hij het niet. Hoewel hij dwars door de geest heen kon kijken en hem daar voor zich zag staan, hoewel hij huiverde onder de blik van zijn doodskoude ogen en zelfs de weving kon onderscheiden van de gevouwen doek die om zijn hoofd en kin was gebonden — een doek die hem eerder niet was opgevallen — bleef hij ongelovig en verzette hij zich tegen wat zijn eigen zintuigen hem vertelden.
‘Zo, wat moet dat?’ zei Scrooge, even bijtend en kil als altijd. ‘Wat wil je van me?’
‘Heel wat!’ Het was onmiskenbaar Marleys stem.
‘Wie ben je?’
‘Vraag me wie ik was.’
‘Wie was je dan?’ vroeg Scrooge met stemverheffing. ‘Je bent nogal precies, voor een schim.’ Hij had eigenlijk ‘tot in de puntjes precies’ willen zeggen, maar vond deze formulering toepasselijker.
‘Toen ik nog leefde, was ik je zakenpartner, Jacob Marley.’
‘Kun je... kun je gaan zitten?’ vroeg Scrooge, terwijl hij hem onzeker aankeek.
‘Dat kan ik.’
‘Doe dat dan.’
Scrooge stelde die vraag omdat hij niet wist of een zo doorzichtige geest wel in staat zou zijn op een stoel te zitten. Hij vreesde dat, als dat onmogelijk bleek, er misschien een pijnlijke uitleg zou moeten volgen. Maar de geest ging aan de andere kant van de haard zitten, alsof hij nooit anders had gedaan.
‘Je gelooft niet in mij,’ merkte de geest op.
‘Nee,’ zei Scrooge.
‘Welk bewijs van mijn bestaan verlang je nog, behalve wat je eigen zintuigen je vertellen?’
‘Ik weet het niet,’ zei Scrooge.
‘Waarom vertrouw je je zintuigen niet?’
‘Omdat,’ zei Scrooge, ‘ze al door de kleinste kleinigheid beïnvloed worden. Een lichte maagstoornis is genoeg om ze je te laten bedriegen. Misschien ben je niets anders dan een onverteerd stukje rundvlees, een klodder mosterd, een kruimel kaas of een stukje halfgare aardappel. Wat je ook bent, je lijkt eerder uit de juspan te komen dan uit het graf!’
Scrooge was niet iemand die vaak grappen maakte, en diep vanbinnen voelde hij zich op dat moment allerminst grappig. In werkelijkheid probeerde hij geestig te zijn om zijn gedachten af te leiden en zijn angst te bedwingen, want de stem van de verschijning deed hem tot in het merg van zijn botten huiveren.
Scrooge voelde dat het hem volkomen van zijn stuk zou brengen als hij ook maar een ogenblik zwijgend tegenover die starre, glazige ogen moest zitten. Bovendien was er iets bijzonder angstaanjagends aan het feit dat de geest zijn eigen helse dampkring leek mee te dragen. Scrooge kon die zelf niet voelen, maar het was duidelijk dat ze er was. Hoewel de geest volkomen roerloos zat, bleven zijn haar, zijn jaspanden en de kwastjes aan zijn laarzen bewegen, alsof ze werden beroerd door de hete lucht die uit een oven opsteeg.
‘Zie je deze tandenstoker?’ vroeg Scrooge, die om de zojuist genoemde reden haastig weer tot de aanval overging. Hij wilde de versteende blik van de verschijning al was het maar voor een ogenblik van zichzelf afleiden.
‘Die zie ik,’ antwoordde de geest.
‘Maar je kijkt er niet naar,’ zei Scrooge.
‘Toch zie ik hem,’ zei de geest.
‘Nou!’ antwoordde Scrooge. ‘Ik hoef dat ding alleen maar door te slikken en ik word de rest van mijn leven achtervolgd door een heel leger kobolden die uit mijn eigen verbeelding zijn voortgekomen. Flauwekul, zeg ik je! Flauwekul!’
Daarop slaakte de geest een afschuwelijke kreet en schudde hij zijn ketting met zo’n akelig en angstaanjagend gerammel dat Scrooge zich stevig aan zijn stoel moest vastklampen om niet flauw te vallen. Maar zijn ontzetting werd nog veel groter toen de verschijning de doek van zijn hoofd nam, alsof die binnenshuis te warm was, en zijn onderkaak plotseling tot op zijn borst naar beneden viel!
Scrooge viel op zijn knieën en vouwde zijn handen voor zijn gezicht.
‘Genade!’ riep hij. ‘Verschrikkelijke verschijning, waarom kom je mij kwellen?’
‘Jij, die alleen aan aardse zaken denkt!’ antwoordde de geest. ‘Geloof je nu in mij of niet?’
‘Ja,’ zei Scrooge. ‘Ik moet wel. Maar waarom dwalen geesten over de aarde, en waarom komen ze bij mij?’
‘Van ieder mens wordt verlangd dat de geest die in hem leeft vrij onder zijn medemensen rondgaat en verre reizen maakt,’ antwoordde de geest. ‘Als die geest tijdens het leven niet de wereld in trekt, is hij gedoemd dat na de dood alsnog te doen. Hij moet dan eindeloos over de aarde zwerven — o, wee mij! — en toezien op dingen waaraan hij geen deel meer kan hebben, terwijl hij er tijdens zijn leven wel deel aan had kunnen hebben en er geluk uit had kunnen laten voortkomen!’
Opnieuw slaakte de verschijning een kreet, rammelde met zijn ketting en wrong zijn schimmige handen.
‘Je bent geketend,’ zei Scrooge bevend. ‘Vertel me waarom.’
‘Ik draag de ketting die ik tijdens mijn leven zelf heb gesmeed,’ antwoordde de geest. ‘Ik heb haar schakel voor schakel, yard voor yard gemaakt. Uit vrije wil heb ik haar omgedaan en uit vrije wil heb ik haar gedragen. Komt het patroon je niet bekend voor?’
Scrooge begon steeds heviger te beven.
‘Of zou je willen weten,’ vervolgde de geest, ‘hoe lang en hoe zwaar de sterke ketting is die je zelf met je meedraagt? Zeven kerstavonden geleden was die al even lang en even zwaar als deze. Sindsdien heb je er onvermoeibaar aan doorgewerkt. Het is een loodzware ketting!’
Scrooge keek om zich heen naar de vloer, in de verwachting dat hij zichzelf omgeven zou zien door een ijzeren kabel van wel vijftig of zestig vadem lang. Maar hij zag niets.
‘Jacob,’ zei hij smekend. ‘Oude Jacob Marley, vertel me meer. Zeg iets om me te troosten, Jacob!’
‘Ik heb geen troost te bieden,’ antwoordde de geest. ‘Troost komt uit andere oorden, Ebenezer Scrooge, en wordt door andere boodschappers aan andere mensen gebracht. Ook mag ik je niet alles vertellen wat ik zou willen. Slechts heel weinig meer is mij toegestaan. Ik kan niet rusten, ik kan nergens blijven, ik kan nergens verwijlen. Mijn geest is nooit buiten ons kantoor gekomen — let goed op wat ik zeg! Tijdens mijn leven zwierf mijn geest nooit verder dan de nauwe grenzen van dat benauwde hol waar wij ons met geldzaken bezighielden. En nu liggen er lange, afmattende reizen voor me!’
Scrooge had de gewoonte zijn handen in zijn broekzakken te steken wanneer hij diep nadacht. Terwijl hij over de woorden van de geest nadacht, deed hij dat nu ook, zonder zijn ogen op te slaan of van zijn knieën te komen.
‘Dan moet je wel heel langzaam gereisd hebben, Jacob,’ merkte Scrooge op, op zijn gebruikelijke zakelijke toon, al klonken er nederigheid en eerbied in door.
‘Langzaam!’ herhaalde de geest.
‘Al zeven jaar dood,’ peinsde Scrooge. ‘En al die tijd op reis!’
‘Al die tijd,’ zei de geest. ‘Geen rust, geen vrede. Voortdurend gekweld door berouw.’
‘Reis je snel?’ vroeg Scrooge.
‘Op de vleugels van de wind,’ antwoordde de geest.
‘Dan had je in die zeven jaar toch een enorme afstand kunnen afleggen,’ zei Scrooge.
Toen de geest dit hoorde, slaakte hij opnieuw een kreet en liet zijn ketting zo afschuwelijk rammelen in de doodse stilte van de nacht dat de wijkautoriteiten alle reden zouden hebben gehad hem wegens verstoring van de nachtrust aan te klagen.
‘O, gevangene, gebonden en dubbel geketend!’ riep de verschijning. ‘Niet beseffen dat er eeuwen van onafgebroken arbeid door onsterfelijke wezens ten bate van deze aarde in de eeuwigheid moeten verstrijken voordat al het goede waartoe zij in staat is volledig tot bloei kan komen! Niet beseffen dat iedere christelijke ziel die binnen haar eigen kleine kring, hoe bescheiden die ook mag zijn, liefdevol en goed handelt, zal ontdekken dat één sterfelijk leven veel te kort is om al het goede te doen waartoe zij in staat is! Niet beseffen dat geen enkel berouw, hoe lang het ook duurt, ooit de gemiste kansen van één verkeerd besteed mensenleven kan goedmaken! En zo was ik! O, zo was ik!’
‘Maar je was altijd een goed zakenman, Jacob,’ stamelde Scrooge, die nu begon te beseffen wat dit alles voor hemzelf betekende.
‘Zaken!’ riep de geest, terwijl hij opnieuw zijn handen wrong. ‘De mensheid was mijn zaak! Het welzijn van iedereen was mijn zaak! Liefdadigheid, barmhartigheid, verdraagzaamheid en welwillendheid, dát waren mijn zaken! Mijn handel was niet meer dan een druppel in de onmetelijke oceaan van alles wat mij werkelijk had moeten bezighouden!’
Hij hield zijn ketting op armlengte omhoog, alsof die de oorzaak was van al zijn machteloze verdriet, en liet haar vervolgens met een zware klap weer op de grond vallen.
‘Juist in deze tijd van het jaar,’ zei de verschijning, ‘lijd ik het meest. Waarom liep ik met neergeslagen ogen tussen drommen medemensen, zonder ooit op te kijken naar die gezegende ster die de wijzen naar een armzalig onderkomen leidde? Waren er soms geen arme huizen waar het licht van die ster ook míj naartoe had kunnen leiden?’
Scrooge raakte diep ontsteld toen hij de geest zo hoorde spreken en begon hevig te beven.
‘Luister naar me!’ riep de geest. ‘Mijn tijd is bijna om.’
‘Ik luister,’ zei Scrooge. ‘Maar wees niet zo hard voor me! En maak het niet zo hoogdravend, Jacob! Alsjeblieft!’
‘Hoe het komt dat ik in een voor jou zichtbare gedaante kan verschijnen, mag ik je niet vertellen. Ik heb vele, vele dagen onzichtbaar naast je gezeten.’
Dat was geen prettige gedachte. Scrooge huiverde en veegde het zweet van zijn voorhoofd.
‘Ook dat is geen gering deel van mijn boetedoening,’ vervolgde de geest. ‘Ik ben hier vanavond om je te waarschuwen dat je nog een kans hebt, nog enige hoop om aan mijn lot te ontsnappen. Een kans en een hoop die ik voor je heb weten te verkrijgen, Ebenezer.’
‘Je bent altijd een goede vriend voor me geweest,’ zei Scrooge. ‘Dank je wel!’
‘Je zult bezoek krijgen,’ vervolgde de geest, ‘van drie geesten.’
Scrooges gezicht betrok zo sterk dat het bijna even ver naar beneden zakte als de onderkaak van de geest even tevoren.
‘Is dát de kans en de hoop waar je het over had, Jacob?’ vroeg hij met bevende stem.
‘Dat is ze.’
‘Ik... ik geloof dat ik dat liever niet heb,’ zei Scrooge.
‘Zonder hun bezoeken kun je er niet op hopen aan mijn lot te ontkomen,’ zei de geest. ‘Verwacht de eerste morgen, wanneer de klok één uur slaat.’
‘Kunnen ze niet alle drie tegelijk komen, Jacob?’ opperde Scrooge. ‘Dan heb ik het tenminste in één keer achter de rug.’
‘Verwacht de tweede de daaropvolgende nacht, op hetzelfde uur. De derde zal de nacht daarna verschijnen, zodra de laatste slag van twaalf uur is weggestorven. Verwacht mij niet meer terug te zien, en zorg er voor je eigen bestwil voor dat je nooit vergeet wat er tussen ons is voorgevallen!’
Toen de verschijning deze woorden had uitgesproken, pakte ze de doek van de tafel en bond die weer om haar hoofd, zoals tevoren. Scrooge merkte dat aan de scherpe klap waarmee haar tanden op elkaar sloegen toen de doek de kaken weer bijeenbracht. Hij durfde zijn ogen opnieuw op te slaan en zag zijn bovennatuurlijke bezoeker rechtop tegenover zich staan, met de ketting om zijn arm gewikkeld.
De verschijning liep achteruit van hem weg. Bij iedere stap die ze zette, schoof het raam vanzelf een stukje verder omhoog, zodat het wagenwijd openstond toen de geest het bereikte.
Hij wenkte Scrooge om dichterbij te komen, en Scrooge deed dat. Toen ze nog maar twee passen van elkaar verwijderd waren, stak Marleys geest zijn hand op om hem te waarschuwen niet verder te komen. Scrooge bleef staan.
Niet zozeer uit gehoorzaamheid als wel uit verbazing en angst, want op het moment dat de geest zijn hand ophief, hoorde Scrooge verwarde geluiden in de lucht. Het waren onsamenhangende kreten van jammerklacht en berouw, weeklachten vol onuitsprekelijk verdriet en zelfverwijt. De verschijning luisterde een ogenblik, voegde haar stem toen bij het treurige klaaglied en zweefde de gure, donkere nacht in.
Scrooge snelde naar het raam, gedreven door een niet te bedwingen nieuwsgierigheid. Hij keek naar buiten.
De lucht was vol schimmen die rusteloos en gehaast heen en weer zwierven en daarbij klaaglijk kreunden. Ze droegen allemaal kettingen zoals die van Marleys geest. Enkele waren zelfs aan elkaar geketend — misschien waren dat wel schuldige regeringen — maar geen van hen was vrij. Scrooge had velen van hen tijdens hun leven persoonlijk gekend. Eén oude geest kende hij zelfs bijzonder goed. Die droeg een wit vest en had een reusachtige ijzeren brandkast aan zijn enkel hangen. Hij jammerde hartverscheurend omdat hij een ongelukkige vrouw met een baby, die hij beneden op een stoep bij een voordeur zag zitten, niet kon helpen. Het was duidelijk dat al deze geesten onder hetzelfde leed gebukt gingen: ze wilden zich nu ten goede met het leven van de mensen bemoeien, maar hadden voorgoed het vermogen daartoe verloren.
Of de wezens zelf in mist oplosten of door de mist werden omhuld, kon Scrooge niet zeggen. Maar de schimmen en hun spookachtige stemmen vervaagden tegelijk, en de nacht werd weer zoals hij was geweest toen Scrooge naar huis was gelopen.
Scrooge sloot het raam en onderzocht de deur waardoor de geest was binnengekomen. Die zat nog altijd dubbel op slot, precies zoals hij haar eigenhandig had afgesloten, en de grendels waren onaangeroerd. Hij probeerde ‘Flauwekul!’ te zeggen, maar kwam niet verder dan de eerste lettergreep.
En omdat hij dringend behoefte had aan rust — of dat nu kwam door alle emoties die hij had doorstaan, de vermoeienissen van de dag, zijn blik op de onzichtbare wereld, het saaie gesprek met de geest of het late uur — ging hij zonder zich uit te kleden rechtstreeks naar bed en viel op slag in slaap.


