De eerste van de drie geesten
Toen Scrooge wakker werd, was het zo donker dat hij vanuit zijn bed het doorzichtige raam nauwelijks kononderscheiden van de ondoorzichtige muren van zijn slaapkamer. Terwijl hij met zijn kleine, priemende ogen deduisternis probeerde te doorboren, hoorde hij de klok van een nabijgelegen kerk de vier kwartieren slaan. Hij luisterdedus naar de uurslag.
Tot zijn grote verbazing sloeg de zware klok zes keer, vervolgens zeven keer, daarna acht keer, en zo regelmatig door tottwaalf. Toen hield ze op. Twaalf uur! Het was al na tweeën geweest toen hij naar bed ging. De klok moest verkeerd lopen.Er was vast een ijspegel in het uurwerk terechtgekomen. Twaalf uur!
Hij drukte op het knopje van zijn repetitiehorloge om die volstrekt absurde klok te controleren. Het horloge liet twaalfsnelle, korte slagen horen en zweeg toen.
‘Het is toch onmogelijk,’ zei Scrooge, ‘dat ik een hele dag en een groot deel van de volgende nacht heb doorgeslapen. Hetkan toch ook niet dat er iets met de zon is gebeurd en het nu twaalf uur ‘s middags is!’
Die gedachte verontrustte hem zozeer dat hij uit bed klauterde en op de tast naar het raam liep. Hij moest eerst met demouw van zijn kamerjas het ijs van het glas wrijven voordat hij iets kon zien, en zelfs toen zag hij nauwelijks iets. Hetenige wat hij kon vaststellen, was dat het nog altijd erg mistig en bijzonder koud was. Ook hoorde hij geen mensenhaastig heen en weer rennen of grote opschudding veroorzaken, zoals ongetwijfeld het geval zou zijn geweest als de nachthet heldere daglicht had verdreven en de wereld had overgenomen. Dat stelde hem enorm gerust, want wissels met dewoorden ‘Betaal drie dagen na zicht van deze eerste wisselbrief aan de heer Ebenezer Scrooge of diens order’, enzovoort,zouden zonder dagen om te tellen niet veel meer waard zijn geweest dan Amerikaanse staatsobligaties.
Scrooge ging weer naar bed en dacht en dacht en dacht, steeds opnieuw, maar hij kon er geen wijs uit worden. Hoe langerhij erover nadacht, hoe meer hij in verwarring raakte. En hoe harder hij probeerde er niet aan te denken, hoe meer hijeraan dacht.
Vooral de geest van Marley bleef hem bezighouden. Telkens wanneer hij na rijp beraad tot de conclusie kwam dat alleseen droom moest zijn geweest, schoot zijn geest als een losgelaten veer terug naar het begin en stelde hem opnieuwdezelfde vraag, die hij dan weer helemaal moest proberen te beantwoorden: was het een droom geweest of niet?


