Vierentwintig uur uit het leven van een vrouw – Stefan Zweigs meesterlijke psychologische novelle
Over verlangen, mededogen en de grenzen van het morele oordeel.
Inleiding
In Vierentwintig uur uit het leven van een vrouw maakt Stefan Zweig van één etmaal geen episode, maar een psychologisch vergrootglas. Onder die lens verschijnen verlangen, schaamte, mededogen en zelfbedrog niet als afzonderlijke gevoelens, maar als een complexe verstrengeling waarin de zekerheden van een ogenschijnlijk beheerst bestaan aan het wankelen kunnen raken.
De novelle verscheen in 1927, in een periode waarin Zweig tot de meest gelezen Duitstalige auteurs van Europa behoorde. Hij was gevormd door het kosmopolitische Wenen van rond 1900, een stad waarin kunst, psychoanalyse en maatschappelijk verval merkwaardig dicht naast elkaar bestonden. De oude burgerlijke wereld hield vast aan vormen, titels en gedragsregels, terwijl schrijvers, kunstenaars en denkers juist ontdekten hoeveel onrust zich onder die keurige oppervlakte bevond. Het individu bleek minder redelijk en standvastig dan men graag aannam. Achter een correct gebaar konden angst en begeerte schuilgaan; achter een gerespecteerd leven een onuitgesproken geschiedenis.
Zweig behoort tot de grote literaire waarnemers van dat innerlijke grensgebied. Zijn personages worden zelden voortgedreven door uitgewerkte overtuigingen of maatschappelijke programma’s. Ze komen in beweging doordat één ontmoeting, één gebaar of één plotselinge indruk iets in hen wakker maakt waarvoor hun gewone bestaan geen taal heeft. Juist daarom neemt Vierentwintig uur uit het leven van een vrouw een kenmerkende plaats in zijn oeuvre in. De novelle verenigt vrijwel alles waarin Zweig uitblonk: een scherp gevoel voor dramatische concentratie, een fijnzinnig oog voor lichamelijke details en een diepgaande belangstelling voor de momenten waarop menselijke zelfbeheersing haar vanzelfsprekendheid verliest.
De uitgangssituatie is eenvoudig en bijna toneelmatig. In een pension aan de Rivièra ontstaat onder de gasten beroering over het gedrag van een vrouw. Er wordt geoordeeld, geroddeld en met grote zekerheid gesproken over trouw, fatsoen en karakter. Alleen de verteller weigert mee te gaan in de verontwaardiging. Zijn terughoudendheid trekt de aandacht van een oudere Engelse dame, die hem vervolgens deelgenoot maakt van een ervaring uit haar eigen verleden. Wat zij vertelt, heeft zich afgespeeld binnen de begrenzing van vierentwintig uur.
Daarmee is het decor geplaatst, maar het eigenlijke onderwerp van het boek ligt niet in de opeenvolging van gebeurtenissen. Het ligt in de vraag hoe een mens zichzelf begrijpt wanneer vertrouwde maatstaven plotseling niet meer voldoen. Hoe betrouwbaar is ons oordeel over anderen, wanneer wij hun omstandigheden, verlangens en eenzaamheid niet kennen? En hoeveel weten wij eigenlijk van onze eigen mogelijkheden zolang het leven ons niet werkelijk op de proef heeft gesteld?
Zweig stelt deze vragen zonder zijn personages tot voorbeelden van deugd of schuld te maken. Hij is geïnteresseerd in morele verantwoordelijkheid, maar wantrouwt de zelfgenoegzaamheid waarmee buitenstaanders hun oordeel uitspreken. In zijn werk is fatsoen vaak minder een innerlijke zekerheid dan een sociale gewoonte die standhoudt zolang zij niet wordt uitgedaagd. Het kost weinig moeite om beheerst te zijn wanneer niets ons uit ons evenwicht brengt. Pas in een uitzonderlijke situatie wordt zichtbaar of de identiteit die wij zorgvuldig hebben opgebouwd ook werkelijk bestand is tegen verlangen, medelijden of hoop.
Dat maakt de novelle tot meer dan een verhaal over hartstocht. Zij gaat ook over de behoefte om het eigen leven, al is het maar voor korte tijd, te ervaren als noodzakelijk en intens. Zweigs personages leven dikwijls in een wereld van routine, waarin de dagen ordelijk maar kleurloos voorbijgaan. Een plotselinge betrokkenheid bij een ander kan dan aanvoelen als een bevrijding. Tegelijkertijd schuilt daarin gevaar: wie het gewone leven achter zich laat, ontdekt niet alleen nieuwe mogelijkheden, maar ook de onzekerheid van een zelf dat niet langer door vaste gewoonten wordt beschermd.
Op de achtergrond speelt bovendien een maatschappelijke kwestie die voor Zweig van groot belang was: de ongelijke manier waarop mannen en vrouwen werden beoordeeld. Een vrouw uit de burgerlijke wereld werd geacht haar gevoelens te beheersen, haar reputatie te bewaken en haar verlangens ondergeschikt te maken aan de verwachtingen van haar omgeving. Voor innerlijke tegenspraak bestond weinig ruimte. Wie van het voorgeschreven pad afweek, riskeerde niet alleen afkeuring, maar ook uitsluiting. Zonder van de novelle een maatschappelijk betoog te maken, laat Zweig voelen hoe zwaar die druk kan wegen. De bekentenis in het boek is daarom niet slechts persoonlijk; zij wordt ook een poging om een ervaring terug te winnen uit de handen van degenen die er te gemakkelijk een oordeel over zouden vellen.
De verteltechniek ondersteunt die spanning tussen ervaring en beoordeling. Zweig gebruikt een raamvertelling: binnen het gesprek van een gezelschap opent zich een tweede, intiemere vertelling. Hierdoor ontvangt de lezer het verleden niet als een objectief verslag, maar als een herinnering die na jaren opnieuw onder woorden wordt gebracht. Tijd is in deze compositie nooit neutraal. Wat ooit verward en onmiddellijk was, wordt later geordend, geïnterpreteerd en misschien ook verdedigd. Vertellen wordt zo een vorm van zelfonderzoek.
Opvallend is de manier waarop Zweig het innerlijk zichtbaar maakt via het lichaam. Handen, gezichten, houdingen en kleine bewegingen krijgen een bijna zelfstandige betekenis. Een gebaar kan iets verraden wat het bewustzijn nog niet durft te erkennen. In plaats van gevoelens uitvoerig te verklaren, toont Zweig hoe zij zich fysiek aankondigen: in rusteloosheid, verstarring, plotselinge aandacht of een beweging die sneller is dan de gedachte. Die nauwkeurigheid verleent zijn proza een filmische helderheid, terwijl de zinnen door hun ritme voortdurend de toenemende psychologische druk voelbaar maken.
Toch is zijn stijl niet koel observerend. Zweig schrijft met een betrokkenheid die soms aan medeplichtigheid grenst. Hij wil niet van buitenaf vaststellen wat een mens verkeerd doet, maar van binnenuit begrijpen hoe een beslissing onvermijdelijk kan lijken op het moment dat zij wordt genomen. Dat vermogen tot nabijheid verklaart voor een belangrijk deel waarom zijn werk nog altijd gelezen wordt. De omstandigheden van zijn personages behoren tot een verdwenen burgerlijke wereld, maar hun onzekerheden zijn nauwelijks verouderd. Ook nu presenteren mensen zichzelf als samenhangende persoonlijkheden, terwijl hun gedrag vaak wordt bepaald door impulsen, verlangens en angsten die zich niet gemakkelijk laten verenigen met dat zorgvuldig opgebouwde beeld.
In een tijd van snelle publieke veroordelingen heeft Vierentwintig uur uit het leven van een vrouw bovendien een bijzondere actualiteit. De novelle herinnert eraan dat een zichtbaar moment zelden het volledige verhaal van een mens bevat. Zij vraagt niet om grenzeloze verontschuldiging, maar om verbeeldingskracht: het vermogen om vóór het oordeel stil te staan bij wat wij niet weten. Tegelijkertijd is het boek scherp over de verhalen die mensen zichzelf vertellen. Begrip voor menselijke kwetsbaarheid sluit zelfmisleiding niet uit; mededogen heft verantwoordelijkheid niet op.
Juist in die ambiguïteit ligt Zweigs kracht. Hij biedt geen eenvoudige les en geen sluitend psychologisch schema. Hij voert de lezer naar het punt waarop vaste begrippen als trouw, beheersing, vrijheid en schuld hun heldere grenzen verliezen.
Vierentwintig uur uit het leven van een vrouw
In het kleine pension aan de Rivièra waar ik destijds, tien jaar voor de oorlog, verbleef, was aan onze tafel een felle discussie uitgebroken. Onverwacht dreigde die te ontaarden in een woeste woordenstrijd, ja zelfs in venijn en beledigingen. De meeste mensen hebben een afgestompte verbeelding. Wat hen niet rechtstreeks raakt, wat zich niet opdringerig als een scherpe wig tot vlak tegen hun zintuigen boort, weet hen nauwelijks in vuur en vlam te zetten. Maar zodra er vlak voor hun ogen, binnen tastbaar bereik van hun gevoel, ook maar iets kleins gebeurt, laait er meteen een buitensporige hartstocht in hen op. Alsof ze de zeldzaamheid van hun betrokkenheid goedmaken met een ongepaste en overdreven felheid.
Zo was het ook ditmaal met ons door en door burgerlijke tafelgezelschap, dat zich anders vreedzaam bezighield met luchtige praatjes en oppervlakkige grapjes, en meestal meteen na de maaltijd uiteenviel: het Duitse echtpaar trok eropuit om amateurfoto’s te maken, de gezapige Deen ging op zijn saaie vispartijen, de voorname Engelse dame keerde terug naar haar boeken, het Italiaanse echtpaar vertrok voor allerlei escapades naar Monte Carlo, en ik ging in een tuinstoel luieren of werken. Deze keer hield de verbitterde discussie ons echter volledig aan elkaar geklonken. En wanneer een van ons plotseling opsprong, was dat niet, zoals gewoonlijk, om beleefd afscheid te nemen, maar uit heetgebakerde woede, die, zoals ik al zei, ronduit agressieve vormen aannam.
De gebeurtenis die ons kleine tafelgezelschap zo had opgezweept, was dan ook vreemd genoeg. Het pension waarin wij zevenen verbleven, deed zich aan de buitenkant weliswaar voor als een vrijstaande villa — ach, wat een schitterend uitzicht boden de ramen op het grillig door rotsen getande strand! — maar in werkelijkheid was het niets meer dan de goedkopere dependance van het grote Palace Hotel. Via de tuin was het er rechtstreeks mee verbonden, zodat wij, de bewoners van het bijgebouw, voortdurend met de hotelgasten in aanraking kwamen.
En juist dat hotel had de vorige dag een schandaal van de eerste orde beleefd. Met de middagtrein van 12.20 uur was namelijk een jonge Fransman aangekomen. Ik kan het niet laten het tijdstip zo nauwkeurig te noemen, omdat het zowel voor deze episode als voor het onderwerp van die verhitte discussie belangrijk is. Hij had een kamer aan de strandzijde met uitzicht op zee gehuurd; dat wees op zichzelf al op een zekere welstand.
Maar niet alleen zijn ingetogen elegantie maakte hem op een aangename manier opvallend. Vooral zijn uitzonderlijke schoonheid, die meteen sympathiek aandeed, trok de aandacht. In zijn smalle, bijna meisjesachtige gezicht omspeelde een zijdezachte blonde snor warme, zinnelijke lippen; over zijn blanke voorhoofd krulde zacht, bruingolvend haar, en zijn vriendelijke ogen leken met iedere blik te strelen. Alles aan zijn verschijning was zacht, innemend en beminnelijk, maar zonder ook maar iets kunstmatigs of aanstellerigs.
Van een afstand deed hij aanvankelijk een beetje denken aan die roze wassen etalagepoppen die in de vitrines van grote modezaken ijdel achteroverleunen, met een sierwandelstok in de hand, als toonbeeld van mannelijke schoonheid. Maar van dichtbij verdween elke indruk van dandyachtige gemaaktheid. Want bij hem was de innemendheid — een uiterst zeldzaam geval — volkomen natuurlijk en aangeboren, alsof die uit zijn huid zelf was gegroeid.
In het voorbijgaan groette hij iedereen afzonderlijk, tegelijk bescheiden en hartelijk, en het was werkelijk aangenaam om te zien hoe zijn altijd parate charme zich bij iedere gelegenheid moeiteloos openbaarde. Als een dame naar de garderobe ging om haar mantel te halen, sprong hij meteen op om dat voor haar te doen. Voor ieder kind had hij een vriendelijke blik of een grappige opmerking. Hij was hartelijk in de omgang en tegelijkertijd discreet.
Kortom, hij leek een van die gezegende mensen die uit ervaring weten dat hun open gezicht en jeugdige charme anderen genoegen doen, en die dat zelfvertrouwen telkens weer in gratie weten om te zetten. Onder de grotendeels oudere en ziekelijke hotelgasten werkte zijn aanwezigheid als een weldaad. Met die triomfantelijke tred van de jeugd, die storm van zorgeloosheid en levenslust waarmee charme sommige mensen zo rijkelijk bedeelt, had hij onweerstaanbaar ieders sympathie veroverd.
Al twee uur na zijn aankomst speelde hij tennis met de twee dochters van de forse, gezapige fabrikant uit Lyon: de twaalfjarige Annette en de dertienjarige Blanche. Hun moeder, de verfijnde, tere en uiterst gereserveerde Madame Henriette, keek met een zacht glimlachje toe hoe haar nog niet uitgevlogen dochters onbewust koket met de jonge vreemdeling flirtten.
Die avond keek hij een uur lang toe aan onze schaaktafel en vertelde tussendoor, zonder zichzelf op te dringen, een paar aardige anekdotes. Daarna wandelde hij opnieuw lange tijd met Madame Henriette over het terras heen en weer, terwijl haar man zoals altijd domino speelde met een zakenrelatie. Laat op de avond zag ik hem vervolgens nog in de schaduw van het kantoor, verwikkeld in een verdacht vertrouwelijk gesprek met de secretaresse van het hotel.
De volgende ochtend vergezelde hij mijn Deense metgezel bij het vissen en bleek hij daar verrassend veel van te weten. Daarna sprak hij lange tijd met de fabrikant uit Lyon over politiek. Ook daarbij bleek hij een uitstekend gesprekspartner, want het bulderende gelach van de dikke heer klonk boven de branding uit.
Na de lunch — voor een goed begrip van de situatie is het werkelijk noodzakelijk dat ik al deze onderdelen van zijn dagindeling zo nauwkeurig vermeld — zat hij opnieuw een uur lang alleen met Madame Henriette in de tuin bij een kop zwarte koffie. Daarna speelde hij weer tennis met haar dochters en maakte hij in de hal een praatje met het Duitse echtpaar.
Om zes uur kwam ik hem bij het station tegen toen ik een brief op de post wilde doen. Hij kwam haastig op me af en vertelde, alsof hij zich moest verantwoorden, dat men hem onverwacht had teruggeroepen, maar dat hij over twee dagen zou terugkomen. Die avond ontbrak hij inderdaad in de eetzaal, maar alleen lijfelijk: aan alle tafels sprak men uitsluitend over hem en prees men zijn aangename, opgewekte aard.
Die nacht, het zal tegen elf uur zijn geweest, zat ik op mijn kamer om een boek uit te lezen, toen ik door het open raam plotseling onrustig geschreeuw en geroep uit de tuin hoorde. Aan de overkant was in het hotel duidelijk opschudding ontstaan. Eerder bezorgd dan nieuwsgierig haastte ik me meteen de vijftig passen erheen en trof gasten en personeel in chaotische opwinding aan.
Mevrouw Henriette was niet teruggekeerd van haar gebruikelijke avondwandeling over het terras aan zee. Haar man had ondertussen met zijn gebruikelijke stiptheid domino gespeeld met zijn vriend uit Namen. Omdat zij niet thuiskwam, vreesde men dat haar een ongeluk was overkomen.
Als een stier rende de anders zo gezapige, logge man telkens weer naar het strand. Wanneer hij met een door opwinding vervormde stem de naam ‘Henriette! Henriette!’ de nacht in schreeuwde, klonk daarin iets angstaanjagends en oers, als de kreet van een reusachtig dier dat dodelijk gewond was geraakt.
Kelners en piccolo’s renden opgewonden de trappen op en af, alle gasten werden gewekt en de gendarmerie werd gebeld. Te midden van dat alles bleef die dikke man, met zijn vest open, struikelend en stampend rondlopen. Volkomen buiten zichzelf snikte en schreeuwde hij telkens opnieuw de naam ‘Henriette! Henriette!’ de nacht in.
Intussen waren boven de kinderen wakker geworden. In hun nachtkleren riepen ze vanuit het raam naar hun moeder. De vader haastte zich nu weer naar boven om hen gerust te stellen.
En toen gebeurde er iets zo verschrikkelijks dat het nauwelijks na te vertellen is. In ogenblikken van uiterste spanning kan de menselijke natuur zo gewelddadig tot het breekpunt worden uitgerekt, dat zij iemands houding een zo tragische uitdrukking geeft dat geen beeld en geen woord die met dezelfde plotseling inslaande kracht kunnen weergeven.
Plotseling kwam de zware, brede man de kreunende treden af. Zijn gezicht was volkomen veranderd, doodmoe en toch grimmig. Hij hield een brief in zijn hand.
‘Roep iedereen terug!’ zei hij met een stem die nog maar nauwelijks verstaanbaar was tegen het hoofd van het personeel. ‘Roep alle mensen terug. Het is niet nodig. Mijn vrouw heeft me verlaten.’
Er lag waardigheid in de manier waarop deze dodelijk getroffen man zich hield: een bovenmenselijk gespannen zelfbeheersing tegenover al die mensen om hem heen, die zich nieuwsgierig om hem hadden verdrongen en hem aanstaarden, maar zich nu plotseling, ieder afzonderlijk geschrokken, beschaamd en verward, van hem afwendden.
Nog net genoeg kracht restte hem om langs ons heen te wankelen zonder ook maar iemand aan te kijken, en in de leeszaal het licht uit te doen. Daarna hoorden we hoe zijn zware, massieve lichaam met een doffe plof in een fauteuil neerviel. Toen klonk er een wild, dierlijk snikken, zoals alleen een man kan huilen die nog nooit heeft gehuild.
Die elementaire pijn oefende op ieder van ons, zelfs op de geringste onder ons, een bijna bedwelmende macht uit. Geen kelner en geen uit nieuwsgierigheid toegeslopen gast waagde het te glimlachen of ook maar een woord van medeleven uit te spreken.
Zwijgend slopen we een voor een terug naar onze kamers, alsof we ons schaamden voor die verpletterende uitbarsting van gevoel. Alleen daarbinnen, in de donkere ruimte, bleef dat neergeslagen brok mens, helemaal alleen met zichzelf, schokken en snikken in het langzaam uitdovende huis, dat fluisterde, siste, zacht murmelde en ruiste.
Men zal begrijpen dat een gebeurtenis die als een blikseminslag vlak voor onze ogen en zintuigen neerkwam, bij uitstek geschikt was om mensen die anders alleen verveling en zorgeloos tijdverdrijf kenden, hevig op te schudden.
Maar de discussie die daarna zo fel aan onze tafel losbarstte en bijna tot handtastelijkheden opliep, had dit verbijsterende voorval weliswaar als vertrekpunt, maar was in wezen eerder een principieel debat: een woedende botsing tussen vijandige levensopvattingen.
Door de indiscretie van een dienstmeisje, dat de brief had gelezen — de volledig gebroken echtgenoot had hem in machteloze woede tot een prop verfrommeld en ergens op de grond gegooid — was al snel bekend geworden dat mevrouw Henriette niet alleen was vertrokken, maar samen en in onderling overleg met de jonge Fransman. Voor hem begon de sympathie van de meeste mensen nu snel te verdwijnen.
Op het eerste gezicht zou het volkomen begrijpelijk zijn geweest dat deze kleine Madame Bovary haar gezapige, provinciale echtgenoot inruilde voor een elegante, knappe jongeman. Maar wat iedereen in het hotel zo in beroering bracht, was het feit dat noch de fabrikant, noch zijn dochters, noch mevrouw Henriette deze jonge verleider ooit eerder had gezien.
Dat zou betekenen dat dat twee uur durende avondgesprek op het terras en dat ene uur bij de zwarte koffie in de tuin voldoende waren geweest om een onberispelijke vrouw van ongeveer drieëndertig ertoe te brengen haar man en haar twee kinderen nog diezelfde nacht te verlaten en een volslagen vreemde, elegante jongeman blindelings te volgen.
Ons tafelgezelschap wees deze schijnbaar onmiskenbare gang van zaken unaniem van de hand als een doortrapte misleiding en een sluwe manoeuvre van het liefdespaar. Natuurlijk, zo meenden zij, had mevrouw Henriette al lange tijd in het geheim een verhouding met de jonge man gehad. De rattenvanger was alleen nog maar naar het hotel gekomen om de laatste details van hun vlucht af te spreken.
Want, zo redeneerden zij, het was volkomen onmogelijk dat een fatsoenlijke vrouw na slechts twee uur kennismaking bij het eerste fluitsignaal zomaar wegliep.
Nu vond ik het vermakelijk om een andere mening te verdedigen. Ik hield vol dat zoiets bij een vrouw die door jaren van teleurstelling en verveling in haar huwelijk innerlijk rijp was gemaakt voor iedere doortastende verovering, niet alleen mogelijk, maar zelfs waarschijnlijk was.
Door mijn onverwachte tegenspraak raakte al snel iedereen bij de discussie betrokken. Ze werd vooral zo verhit doordat de beide echtparen, zowel het Duitse als het Italiaanse, het bestaan van de coup de foudre — liefde als een blikseminslag — met ronduit beledigende minachting afdeden als dwaasheid en smakeloze romanfantasie.
Het heeft weinig zin om het stormachtige verloop van een ruzie tussen de soep en het dessert tot in alle bijzonderheden op te rakelen. Alleen beroepsgasten aan een gezamenlijke hoteltafel zijn werkelijk geestig, en de argumenten die men in de hitte van een toevallige tafelruzie aangrijpt, zijn meestal banaal, omdat ze haastig en met de linkerhand bij elkaar zijn geraapt.
Het is ook moeilijk uit te leggen waarom onze discussie zo snel beledigende vormen aannam. Volgens mij begon de irritatie ermee dat beide echtgenoten hun eigen vrouw onwillekeurig wilden vrijwaren van de mogelijkheid van zulke afgronden en gevaren. Helaas wisten ze dat niet beter onder woorden te brengen dan door mij voor te houden dat alleen iemand die de vrouwelijke psyche beoordeelde aan de hand van de toevallige en al te gemakkelijke veroveringen van vrijgezellen, zo kon spreken.
Dat ergerde mij al behoorlijk. En toen de Duitse dame daar op belerende toon aan toevoegde dat er enerzijds ‘echte vrouwen’ bestonden en anderzijds ‘hoerige naturen’ — en dat mevrouw Henriette volgens haar tot die laatste categorie moest behoren — verloor ik mijn geduld volledig en werd ik op mijn beurt agressief.
Al dat verzet tegen het onmiskenbare feit dat een vrouw op sommige momenten in haar leven, buiten haar wil en bewustzijn om, aan geheimzinnige krachten kan zijn overgeleverd, verborg volgens mij alleen maar angst voor het eigen instinct, voor het demonische in onze natuur. Sommige mensen schenen er nu eenmaal genoegen in te scheppen zichzelf sterker, zedelijker en zuiverder te vinden dan degenen die zich ‘gemakkelijk laten verleiden’.
Persoonlijk vond ik het eerlijker wanneer een vrouw haar instinct vrij en hartstochtelijk volgde dan wanneer zij, zoals zo vaak gebeurde, haar man zelfs in zijn eigen armen en met gesloten ogen bedroog.
Dat was ongeveer wat ik zei. En hoe feller de anderen in het nu knetterende gesprek de arme mevrouw Henriette aanvielen, des te hartstochtelijker verdedigde ik haar — in werkelijkheid veel hartstochtelijker dan met mijn ware gevoelens overeenkwam.
Dat vurige pleidooi was voor de beide echtparen, zoals men in studententaal zou zeggen, het sein voor de aanval. Als een allesbehalve harmonieus kwartet vielen zij eensgezind en verbitterd tegen mij uit. De oude Deen zat er met een joviaal gezicht als scheidsrechter bij, alsof hij tijdens een voetbalwedstrijd een stopwatch in zijn hand hield, en moest af en toe waarschuwend met zijn knokkel op tafel kloppen.
‘Gentlemen, please.’
Maar dat hielp telkens maar heel even. Een van de heren was al drie keer met een rood hoofd van tafel opgesprongen en had zich slechts met moeite door zijn vrouw laten kalmeren. Kortom, nog een minuut of twaalf en onze discussie zou in handtastelijkheden zijn geëindigd, als mevrouw C. niet plotseling als verzachtende olie de opschuimende golven van het gesprek had gladgestreken.
Mevrouw C., de deftige oude Engelse dame met het witte haar, was de onbenoemde erevoorzitter van ons gezelschap. Zij zat rechtop aan tafel, richtte zich met steeds dezelfde vriendelijkheid tot iedereen en zweeg meestal, maar luisterde met een bijzonder aangename belangstelling.
Alleen haar uiterlijk had al een weldadige uitwerking. Uit haar aristocratisch beheerste houding straalden een bewonderenswaardige zelfbeheersing en rust. Tegenover iedereen bewaarde zij tot op zekere hoogte afstand, al wist zij ieder van ons met veel tact een bijzondere vriendelijkheid te bewijzen.
Meestal zat zij met haar boeken in de tuin. Soms speelde zij piano. Slechts zelden zag men haar in gezelschap of verwikkeld in een intens gesprek. Je merkte haar nauwelijks op en toch oefende zij een merkwaardige macht over ons allemaal uit.
Zodra zij zich nu voor het eerst in onze discussie mengde, kregen we dan ook allemaal het beschamende gevoel dat we ons veel te luidruchtig en onbeheerst hadden gedragen.
Mevrouw C. had gebruikgemaakt van de ongemakkelijke stilte die was ontstaan nadat de Duitse heer plotseling was opgesprongen en vervolgens voorzichtig weer naar zijn plaats aan tafel was teruggebracht.
Onverwacht sloeg zij haar heldere grijze ogen op. Een ogenblik keek zij mij besluiteloos aan, waarna zij het onderwerp met bijna zakelijke duidelijkheid vanuit haar gezichtspunt benaderde.
‘U gelooft dus, als ik u goed heb begrepen, dat mevrouw Henriette — dat een vrouw — buiten haar schuld in een plotseling avontuur kan worden meegesleept? Dat er daden bestaan die zo’n vrouw een uur eerder zelf nog voor onmogelijk zou hebben gehouden en waarvoor men haar nauwelijks verantwoordelijk kan stellen?’
‘Daar geloof ik zonder enig voorbehoud in, mevrouw.’
‘Maar dan wordt ieder moreel oordeel toch volkomen zinloos en kan iedere morele overtreding worden gerechtvaardigd. Wanneer u werkelijk aanneemt dat het crime passionnel, zoals de Fransen het noemen, geen crime is, waartoe dient de rechtspraak dan nog? Er is niet veel goede wil voor nodig — en u beschikt over verbazingwekkend veel goede wil,’ voegde zij er met een glimlachje aan toe, ‘om in ieder misdrijf een hartstocht te ontdekken en het vanwege die hartstocht te verontschuldigen.’
De heldere en tegelijk bijna opgewekte toon van haar woorden deed mij bijzonder goed. Onwillekeurig nam ik haar zakelijke manier van spreken over en antwoordde eveneens half voor de grap en half in ernst:
‘De rechtspraak oordeelt hierover beslist strenger dan ik. Zij heeft de plicht de algemeen aanvaarde zeden en maatschappelijke conventies zonder medelijden te beschermen. Daarom moet zij veroordelen in plaats van verontschuldigen. Maar als particulier zie ik niet in waarom ik vrijwillig de rol van aanklager op mij zou moeten nemen. Ik kies liever de kant van de verdediging. Persoonlijk vind ik het prettiger mensen te begrijpen dan over hen te oordelen.’
Mevrouw C. keek mij enige tijd recht aan met haar heldere grijze ogen en aarzelde. Ik begon al te vrezen dat zij mij niet goed had begrepen en maakte me gereed mijn woorden in het Engels te herhalen. Maar met een merkwaardige ernst, alsof zij mij aan een examen onderwierp, ging zij verder met haar vragen.
‘Vindt u het dan niet verachtelijk of afschuwelijk dat een vrouw haar man en haar twee kinderen verlaat om iemand te volgen van wie zij nog helemaal niet kan weten of hij haar liefde waard is? Kunt u werkelijk zulk roekeloos en lichtzinnig gedrag verontschuldigen bij een vrouw die toch niet meer tot de jongsten behoort en die, al was het alleen maar omwille van haar kinderen, geleerd zou moeten hebben zichzelf te respecteren?’
‘Ik herhaal, mevrouw,’ hield ik vol, ‘dat ik weiger in dit geval te oordelen of te veroordelen. Tegenover u kan ik gerust toegeven dat ik zojuist een beetje heb overdreven. Die arme mevrouw Henriette is beslist geen heldin, zelfs geen avontuurlijke natuur en al helemaal geen grote, hartstochtelijke minnares.
Zoals ik haar ken, lijkt zij mij niets anders dan een middelmatige, zwakke vrouw. Ik heb enig respect voor haar omdat zij moedig haar wil heeft gevolgd, maar nog meer medelijden, omdat zij morgen, als zij het vandaag nog niet is, ongetwijfeld diep ongelukkig zal zijn.
Misschien heeft zij dwaas en zeker overhaast gehandeld, maar beslist niet laag of gemeen. En ik blijf iedereen het recht ontzeggen om die arme, ongelukkige vrouw te verachten.’
‘En hebt u zelf nog precies hetzelfde respect en dezelfde achting voor haar? Maakt u werkelijk geen enkel onderscheid tussen de vrouw met wie u eergisteren nog als met een eerbare vrouw omging en de vrouw die er gisteren met een volslagen vreemde vandoor is gegaan?’
‘Geen enkel onderscheid. Niet het minste. Werkelijk helemaal niet.’
‘Is dat zo?’ zei zij onwillekeurig in het Engels.
Het hele gesprek leek haar merkwaardig sterk bezig te houden. Na een kort ogenblik van nadenken keek zij mij opnieuw vragend aan.
‘En wanneer u mevrouw Henriette morgen, bijvoorbeeld in Nice, aan de arm van die jonge man zou tegenkomen, zou u haar dan nog groeten?’
‘Natuurlijk.’
‘En met haar praten?’
‘Natuurlijk.’
‘Zou u — wanneer u… wanneer u getrouwd was — zo’n vrouw aan uw eigen vrouw voorstellen, alsof er niets gebeurd was?’
‘Natuurlijk.’
‘Zou u dat werkelijk doen?’ vroeg zij opnieuw in het Engels, vol ongelovige verbazing.
‘Zeker,’ antwoordde ik onbewust eveneens in het Engels.
Mevrouw C. zweeg. Zij leek nog steeds diep na te denken. Toen zei zij plotseling, terwijl zij mij aankeek alsof zij verbaasd was over haar eigen moed:
‘Ik weet niet of ik dat zou doen. Misschien zou ik het ook doen.’
Daarop stond zij op en reikte mij vriendelijk de hand, met die onbeschrijfelijke zekerheid waarmee alleen Engelsen een gesprek definitief weten te beëindigen zonder daarbij grof of bruusk te worden.
Door haar ingrijpen was de rust teruggekeerd. In stilte waren wij haar allemaal dankbaar dat wij, die zojuist nog tegenstanders waren geweest, elkaar nu weer met een redelijke beleefdheid konden groeten en dat de gevaarlijk gespannen sfeer door een paar luchtige grapjes begon te ontspannen.
Hoewel onze discussie uiteindelijk op hoffelijke wijze leek te zijn afgesloten, bleef er van de opgezweepte verbittering toch een lichte vervreemding bestaan tussen mijn tegenstanders en mij.
Het Duitse echtpaar gedroeg zich terughoudend. Het Italiaanse echtpaar schepte er de volgende dagen genoegen in mij steeds opnieuw spottend te vragen of ik al iets van de ‘cara signora Henrietta’ had gehoord.
Hoe beschaafd onze omgangsvormen ook leken, iets van de oprechte, ongedwongen gezelligheid aan onze tafel was onherroepelijk verloren gegaan.
Des te opvallender was voor mij het contrast tussen de ironische koelheid van mijn vroegere tegenstanders en de bijzondere vriendelijkheid die mevrouw C. mij sinds onze discussie betoonde.
Normaal gesproken was zij uiterst gereserveerd en nauwelijks geneigd buiten de maaltijden met haar tafelgenoten te praten. Nu vond zij echter verscheidene keren een aanleiding om mij in de tuin aan te spreken en mij — ik zou bijna zeggen: met bijzondere aandacht te onderscheiden. Door haar voorname, terughoudende karakter leek alleen al een persoonlijk gesprek met haar een bijzondere gunst.
Om eerlijk te zijn moet ik zelfs zeggen dat zij mij ronduit opzocht en iedere gelegenheid aangreep om met mij in gesprek te raken. Dat deed zij zo overduidelijk dat ik misschien ijdele en vreemde gedachten had kunnen krijgen, wanneer zij niet een oude vrouw met wit haar was geweest.
Maar telkens wanneer wij samen praatten, keerde ons gesprek onvermijdelijk en zonder enige omweg terug naar hetzelfde uitgangspunt: mevrouw Henriette.
Het leek haar een geheimzinnig genoegen te schenken de vrouw die haar plichten had verzaakt van innerlijke stuurloosheid en onbetrouwbaarheid te beschuldigen. Tegelijkertijd leek zij zich erover te verheugen dat mijn sympathie onveranderlijk aan de kant van die tere, verfijnde vrouw bleef staan en dat niets mij ertoe kon brengen die sympathie te verloochenen.
Steeds opnieuw stuurde zij onze gesprekken in die richting. Uiteindelijk wist ik niet meer wat ik van die merkwaardige, bijna obsessieve volharding moest denken.
Zo ging het vijf of zes dagen door, zonder dat zij met één woord liet blijken waarom dit onderwerp voor haar zo belangrijk was geworden.
Dat het werkelijk belangrijk voor haar was, werd mij echter onmiskenbaar duidelijk toen ik tijdens een wandeling terloops vertelde dat mijn verblijf ten einde liep en dat ik van plan was overmorgen te vertrekken.
Haar normaal zo rimpelloze gezicht kreeg plotseling een merkwaardig gespannen uitdrukking. Als de schaduw van een wolk trok iets over haar zeegrijze ogen.
‘Wat jammer! Ik had nog zoveel met u te bespreken.’
Vanaf dat ogenblik verrieden een zekere gejaagdheid en onrust dat zij tijdens het spreken aan iets anders dacht, iets wat haar hevig bezighield en afleidde.
Uiteindelijk leek die verstrooidheid ook haarzelf te hinderen. Dwars door een plotseling gevallen stilte heen stak zij onverwacht haar hand naar mij uit.
‘Ik merk dat ik niet duidelijk kan uitspreken wat ik u eigenlijk wil vertellen. Ik kan het beter opschrijven.’
Daarop liep zij met snellere passen dan ik van haar gewend was in de richting van het huis.
Die avond, vlak voor het diner, vond ik inderdaad een brief op mijn kamer, geschreven in haar krachtige, open handschrift.
Helaas ben ik nogal achteloos omgegaan met de schriftelijke documenten uit mijn jeugd. Daarom kan ik haar precieze woorden niet meer weergeven en slechts bij benadering de inhoud van haar verzoek beschrijven.
Zij vroeg of zij mij iets uit haar leven mocht vertellen. De gebeurtenis lag zo ver in het verleden, schreef zij, dat zij eigenlijk nauwelijks nog deel uitmaakte van haar huidige leven. Dat ik overmorgen al zou vertrekken, maakte het haar gemakkelijker om te spreken over iets wat haar al meer dan twintig jaar vanbinnen kwelde en bezighield.
Wanneer ik zo’n gesprek niet als opdringerig zou ervaren, wilde zij mij graag om een uur van mijn tijd vragen.
De brief, waarvan ik hier alleen de inhoud weergeef, boeide me buitengewoon. Alleen al het Engels gaf hem een grote helderheid en vastberadenheid. Toch viel het me niet gemakkelijk om te antwoorden. Ik verscheurde drie versies voordat ik uiteindelijk schreef:
‘Het is voor mij een eer dat u mij zoveel vertrouwen schenkt. Ik beloof u eerlijk te antwoorden, wanneer u dat van mij verlangt. Natuurlijk mag ik u niet vragen meer te vertellen dan u zelf werkelijk wilt. Maar wat u vertelt, moet u zowel uzelf als mij volkomen naar waarheid vertellen. Geloof me alstublieft wanneer ik zeg dat ik uw vertrouwen als een bijzondere eer beschouw.’
Die avond liet ik het briefje naar haar kamer brengen. De volgende ochtend vond ik haar antwoord:
‘U hebt volkomen gelijk: een halve waarheid is niets waard; alleen de hele waarheid telt. Ik zal al mijn kracht bijeenrapen om niets voor mezelf of voor u te verzwijgen. Kom na het diner naar mijn kamer. Op mijn zevenenzestigste hoef ik niet bang te zijn dat iemand daar iets verkeerds achter zoekt. In de tuin of in de buurt van andere mensen kan ik niet spreken. Geloof me, het is niet gemakkelijk geweest om dit besluit überhaupt te nemen.’
Overdag kwamen we elkaar nog aan tafel tegen en praatten we beleefd over onbelangrijke dingen. Maar toen zij mij later in de tuin zag, week ze zichtbaar verward voor me uit. Ik vond het tegelijk pijnlijk en ontroerend om te zien hoe deze oude, witharige dame, verlegen als een meisje, voor mij een laan met pijnbomen in vluchtte.
Die avond klopte ik op het afgesproken tijdstip bij haar aan. Ze deed onmiddellijk open. De kamer lag in een gedempt halfduister; alleen de kleine leeslamp op tafel wierp een gele lichtkegel in het verder schemerdonkere vertrek.
Zonder enige zichtbare verlegenheid kwam mevrouw C. op me af. Ze bood me een fauteuil aan en ging tegenover me zitten. Ik voelde dat zij ieder van die bewegingen van tevoren innerlijk had voorbereid. Toch volgde er een stilte, duidelijk tegen haar wil in: de stilte van een zwaar bevochten besluit. Ze duurde lang en werd steeds langer.
Ik durfde haar met geen enkel woord te verbreken, omdat ik voelde dat hier een sterke wil met geweld tegen een even sterke weerstand vocht. Af en toe kwamen uit de conversatiezaal beneden flarden van een wals zacht kringelend naar boven. Ik luisterde er gespannen naar, alsof ik daarmee iets van de drukkende zwaarte uit de stilte kon wegnemen.
Ook zij leek de onnatuurlijke spanning van ons zwijgen inmiddels als pijnlijk te ervaren. Plotseling vermande ze zich en begon:
‘Alleen het eerste woord is moeilijk. Ik heb me er twee dagen op voorbereid om volkomen helder en eerlijk te zijn. Hopelijk lukt het me.
Misschien begrijpt u nu nog niet waarom ik u, een vreemde, dit alles vertel. Maar er gaat geen dag voorbij, nauwelijks één enkel uur, waarin ik niet aan die ene gebeurtenis denk. En u mag een oude vrouw als mij geloven wanneer ik zeg dat het ondraaglijk is om je hele leven lang naar één enkel punt in je leven te blijven staren, naar één enkele dag.
Want alles wat ik u wil vertellen, beslaat slechts vierentwintig uur van mijn zevenenzestig levensjaren. Ik heb mezelf tot waanzin toe vaak voorgehouden: wat betekent het nu helemaal wanneer je één keer, één enkel ogenblik, waanzinnig hebt gehandeld?
Maar je komt niet los van wat wij met een nogal onnauwkeurig woord het “geweten” noemen. Toen ik u zo nuchter over de kwestie-Henriette hoorde spreken, dacht ik dat dit zinloze terugdenken en dat eindeloze zelfverwijt misschien zouden ophouden wanneer ik er eenmaal toe kon besluiten tegenover iemand vrijuit over die ene dag van mijn leven te spreken.
Was ik geen anglicaanse maar een katholieke, dan had de biecht mij allang de gelegenheid geboden om wat ik al die tijd heb verzwegen door middel van woorden van me af te zetten. Maar die troost is ons ontzegd. Daarom waag ik vandaag deze vreemde poging om mezelf vrij te spreken door met u te spreken.
Ik weet dat dit alles zeer vreemd is, maar u bent zonder aarzeling op mijn voorstel ingegaan. Daarvoor dank ik u.
Zoals ik al zei, wil ik u slechts over één enkele dag uit mijn leven vertellen. Al het overige lijkt mij betekenisloos en voor ieder ander saai. Niets van wat er voor mijn tweeënveertigste gebeurde, was ook maar enigszins uitzonderlijk.
Mijn ouders waren rijke landeigenaren in Schotland. We bezaten grote fabrieken en uitgestrekte verpachte landerijen. Volgens de gebruikelijke levenswijze van de adel brachten we het grootste deel van het jaar op onze landgoederen door en verbleven we tijdens het societyseizoen in Londen.
Toen ik achttien was, leerde ik tijdens een bijeenkomst een man kennen. Hij was de tweede zoon uit de bekende familie R… en had tien jaar in India in het leger gediend. We trouwden al snel en leidden het zorgeloze leven dat in onze kringen gebruikelijk was: een kwart van het jaar in Londen, een kwart op onze landgoederen en de rest van de tijd trekkend van hotel naar hotel in Italië, Spanje en Frankrijk.
Nooit viel zelfs maar de geringste schaduw over ons huwelijk. De twee zoons die wij kregen, zijn inmiddels volwassen.
Toen ik veertig was, stierf mijn man plotseling. Aan zijn jaren in de tropen had hij een leverkwaal overgehouden. Binnen twee verschrikkelijke weken verloor ik hem.
Mijn oudste zoon was toen al in dienst en de jongste studeerde nog. Van de ene dag op de andere was alle grond onder mijn voeten verdwenen. Ik was altijd gewend geweest aan een liefdevolle verbondenheid en die plotselinge eenzaamheid was voor mij een verschrikkelijke kwelling.


