Tolkien tussen altaar en algoritme: de strijd om Midden-aarde
Hoe Tolkien tegelijk paus, protestgeneratie en techmiljardairs blijft aanspreken — en waarom zijn werk zich niet laat bezitten
Waarom Tolkien opnieuw in het hart van het publieke debat staat
Toen paus Leo XIV in mei 2026 zijn encycliek Magnifica Humanitas publiceerde, over de bescherming van de menselijke persoon in het tijdperk van kunstmatige intelligentie, gebeurde er iets opmerkelijks. Tussen beschouwingen over menselijke waardigheid, technologie, macht, oorlog en verantwoordelijkheid verwees hij naar J.R.R. Tolkien. Niet als luchtige culturele knipoog, maar als moreel ankerpunt. De paus haalde Gandalf aan om te benadrukken dat mensen niet geroepen zijn om de hele geschiedenis te beheersen, maar om het kwaad te bestrijden op de velden die hun zijn toevertrouwd. In een officieel Vaticaans document werd Midden-aarde zo plots een taal voor onze eigen technologische eeuw.
Dat is minder vreemd dan het op het eerste gezicht lijkt. Tolkien was niet alleen de auteur van The Hobbit en The Lord of the Rings, maar ook een katholieke denker, een filoloog, een oorlogsveteraan en een schrijver die diep wantrouwig stond tegenover macht die zich voordoet als vooruitgang. Zijn werk is daarom al decennialang een spiegel waarin zeer verschillende groepen zichzelf proberen te herkennen: katholieke lezers, hippies, ecologisten, conservatieven, technologische elites, fantasyfans en politieke denkers. Juist omdat Tolkien nooit een eenvoudig pamflet schreef, blijft zijn wereld beschikbaar voor strijdige interpretaties.
Een katholieke verbeelding zonder preek
De religie onder de oppervlakte
Tolkien werd in 1892 geboren in Bloemfontein, in het huidige Zuid-Afrika, maar groeide grotendeels op in Engeland. Zijn jeugd werd getekend door verlies: zijn vader overleed vroeg, zijn moeder Mabel stierf toen hij nog jong was. Zij had zich tot het katholicisme bekeerd en vertrouwde haar zoons toe aan de zorg van de katholieke priester Francis Morgan. Die geloofsachtergrond zou Tolkien zijn leven lang bij zich dragen. De Tolkien Estate noemt Sarehole, bij Birmingham, bovendien als een belangrijke inspiratiebron voor de latere Shire: het landelijke ideaal dat in zijn fictie steeds bedreigd wordt door rook, machines en ontworteling.
Toch is The Lord of the Rings geen catechismus in fantasievorm. Er zijn geen kerken in de Gouw, geen priesters in Rohan, geen sacramenten in Gondor. Tolkien liet expliciete religie grotendeels weg, juist omdat hij wilde dat het religieuze element in de structuur, symboliek en morele atmosfeer van het verhaal werd opgenomen. In een brief uit 1953 noemde hij The Lord of the Rings een fundamenteel religieus en katholiek werk, maar tegelijk verzette hij zich tegen de gedachte dat zijn verhaal een sleutelroman met één vaste betekenis zou zijn.
Daarin schuilt een groot deel van zijn kracht. Tolkien preekt niet; hij laat zien. De lezer wordt niet opgedragen wat hij moet denken, maar wordt geconfronteerd met verleiding, trouw, verlies, genade, medelijden en de broosheid van het goede. De Ring is geen simpel symbool dat één-op-één staat voor kernwapens, geld, fascisme of technologie. Hij is al die dingen mogelijk, maar nooit alleen dat. Hij is macht zelf, begeerte naar beheersing, het verlangen om de werkelijkheid naar de eigen wil te buigen.
Van Oxford naar de campus: Tolkien als tegencultuur
“Frodo lives” en de jaren zestig
Dat juist Amerikaanse studenten in de jaren zestig Tolkien omarmden, lijkt achteraf bijna vanzelfsprekend. Zijn verhalen boden een mythisch alternatief voor een wereld van Vietnam, kernwapenangst, bureaucratie en industriële vervreemding. De Tolkien Society wijst erop dat Tolkien in de jaren zestig door delen van de opkomende tegencultuur werd opgepikt, mede door zijn gevoeligheid voor ecologische thema’s.
In 1966 beschreef The New Yorker een bijeenkomst van de Tolkien Society of America in Brooklyn, opgericht door de jonge Richard Plotz. Daar kwamen scholieren, studenten, professoren en zelfs W.H. Auden bijeen om te spreken over Elfen-schrift, Midden-aarde en de kosmologie van Tolkiens wereld. Wat begon als fanliefde, kreeg al snel het karakter van een culturele gemeenschap.
Voor de tegencultuur bood Tolkien geen programma, maar een gevoel. De hobbits leken antihelden voor een anti-imperiale generatie: klein, huiselijk, vredelievend, niet uit op glorie. De Enten, de levende bomen die zich keren tegen Saruman, konden gelezen worden als een vroege ecologische parabel. De Gouw stond voor een menselijke maat die door machines, roofbouw en militarisering werd bedreigd. Zelfs rockmuziek nam Midden-aarde op in haar vocabulaire; Led Zeppelin en andere bands uit de jaren zestig en zeventig verwerkten Tolkien-verwijzingen in hun muzikale verbeelding.
Toch zou het te gemakkelijk zijn Tolkien tot hippieprofeet uit te roepen. De schrijver zelf was geen revolutionair in de moderne politieke zin. Hij was een traditionele katholiek, een liefhebber van oude talen, middeleeuwse literatuur en verloren werelden. Maar juist daardoor kon hij aantrekkelijk worden voor jongeren die voelden dat de moderne wereld iets wezenlijks had opgeofferd: stilte, geworteldheid, eerbied voor natuur en herinnering.
De machine, de oorlog en de wond van de twintigste eeuw
Technologie als verleiding tot overheersing
Tolkien had de Eerste Wereldoorlog niet uit boeken leren kennen. Hij diende aan de Somme, waar een generatie jonge mannen werd vermalen door loopgraven, artillerie, gas, modder en industriële oorlogvoering. Zijn fantasie is daarom nooit vrijblijvend escapisme. De dodenmoerassen, de verschroeide aarde van Mordor en de ontmenselijkte legers van Sauron dragen de schaduw van de twintigste eeuw in zich.
Dat maakt zijn verhouding tot technologie complex. Tolkien was niet simpelweg tegen techniek. Hij was tegen techniek wanneer zij zich losmaakt van wijsheid, maat en morele verantwoordelijkheid. In zijn wereld zijn de gevaarlijkste figuren niet de eenvoudigste krijgers, maar de denkers die alles willen ordenen, versnellen en beheersen. Saruman is daarvan het duidelijkste voorbeeld: een geest die ooit naar kennis zocht, maar eindigt in rook, staal, experiment en dwang.
Daarom klinkt Tolkiens werk vandaag opnieuw zo scherp. In een tijd waarin kunstmatige intelligentie wordt gepresenteerd als onvermijdelijke vooruitgang, herinnert Tolkien eraan dat de vraag niet alleen is wat een technologie kan, maar welk mensbeeld zij dient. Paus Leo XIV stelt in Magnifica Humanitas vergelijkbare vragen. De encycliek waarschuwt dat AI nooit een zuiver technisch onderwerp is wanneer zij beslissingen over werk, krediet, oorlog, reputatie of toegang tot voorzieningen beïnvloedt. Technologie is volgens het document niet inherent slecht, maar ook nooit neutraal: zij krijgt de trekken van degenen die haar ontwerpen, financieren en gebruiken.
Silicon Valley en de toe-eigening van Midden-aarde
Palantir, Anduril, Narya en Erebor
Het is precies op dit punt dat de hedendaagse fascinatie van delen van Silicon Valley voor Tolkien wringt. Verschillende invloedrijke bedrijven en investeringsvehikels gebruiken namen uit zijn werk. Palantir verwijst naar de zienstenen uit The Lord of the Rings. Anduril, het defensietechnologiebedrijf van Palmer Luckey, draagt de naam van Aragorns hergesmede zwaard. Narya Capital verwijst naar een van de ringen van macht. Erebor Bank, gesteund door figuren uit de techwereld, ontleent zijn naam aan de Eenzame Berg uit The Hobbit. Reuters meldde in februari 2026 dat Erebor Bank een nationale bankvergunning kreeg en technologiebedrijven in onder meer AI, crypto, defensie en productie wil bedienen.
Anduril is intussen een van de opvallendste namen in de Amerikaanse defensietechnologie. Axios meldde in maart 2026 dat het bedrijf rond de 4 miljard dollar ophaalde tegen een waardering van ongeveer 60 miljard dollar. Dat plaatst Tolkiens taal, via een merknaam, midden in de wereld van autonome systemen, militaire innovatie en geopolitieke concurrentie.
De ironie is moeilijk te missen. Tolkien schreef een verhaal waarin macht niet verlost wordt door haar beter te gebruiken, maar door haar te weigeren. De Ring moet niet in handen komen van een goede heerser; hij moet vernietigd worden. Dat is een radicaal andere moraal dan de droom van totale zichtbaarheid, totale controle of technologische overheersing.
Rechts, links of iets wat zich daaraan onttrekt?
De misleiding van eenvoudige etiketten
Wie Tolkien politiek wil vastpinnen, loopt snel vast. Voor links is er de Tolkien van de natuur, de anti-industrialisering, de kleine gemeenschap en het wantrouwen tegenover oorlogsmachines. Voor rechts is er de Tolkien van traditie, koningschap, hiërarchie, offerbereidheid, christelijke verbeelding en het herstel van een gevallen orde. Beide lezingen vinden aanknopingspunten in zijn werk. Beide kunnen ook te ver gaan.
Tolkien zelf verzette zich tegen allegorische dwang. In het voorwoord bij The Lord of the Rings maakte hij onderscheid tussen allegorie en toepasbaarheid: de eerste legt de wil van de auteur op, de tweede laat ruimte aan de vrijheid van de lezer.
Dat onderscheid is vandaag belangrijker dan ooit. Toepasbaarheid verklaart waarom een katholieke paus, een klimaatgevoelige lezer, een conservatieve denker, een student uit de jaren zestig en een programmeur uit Californië allemaal iets in Tolkien kunnen vinden. Allegorie begint waar één groep beweert dat Midden-aarde definitief van haar is.
De ware kern: macht weigeren
Waarom de hobbits ertoe doen
Het hart van Tolkien ligt niet bij de grootste legers of de schitterendste wapens, maar bij de kleinste dragers van verantwoordelijkheid. Frodo, Sam, Merry en Pippin zijn geen veroveraars. Zij zoeken geen onsterfelijkheid, geen imperium, geen bovenmenselijke status. Hun grootheid ligt juist in hun kwetsbaarheid.
Daarmee staat Tolkien haaks op veel moderne heldenverhalen. Zijn ethiek is geen ethiek van expansie, maar van begrenzing. De goede koning is degene die eerst dient. De wijze tovenaar is degene die de Ring weigert. De ware held is soms een tuinman die na de catastrofe terugkeert om te planten, te herstellen en opnieuw gemeenschap mogelijk te maken.
Dat verklaart ook waarom de verwijzing van paus Leo XIV zo raak is. In het tijdperk van kunstmatige intelligentie, geopolitieke dreiging en digitale concentratie van macht biedt Tolkien geen nostalgisch vluchtoord. Hij biedt een morele grammatica. Niet alles wat kan worden gebouwd, moet worden gebouwd. Niet alles wat kan worden gezien, moet worden bewaakt. Niet alles wat kan worden beheerst, mag worden onderworpen.
Midden-aarde als spiegel van onze tijd
Tolkien blijft terugkeren omdat zijn werk dieper gaat dan fantasy. Hij schreef over sterfelijkheid in een cultuur die eeuwige optimalisatie belooft. Over trouw in een tijd van instrumentele relaties. Over natuur in een industriële wereld. Over macht in een eeuw die steeds opnieuw dacht dat zij macht voorgoed kon temmen.
Daarom is de strijd om Tolkien uiteindelijk ook een strijd om de verbeelding. Wie zijn werk reduceert tot politiek bezit, mist de kern. Wie het gebruikt als decor voor macht, leest langs de Ring heen. Wie er alleen nostalgie in ziet, vergeet dat de reis naar Mordor geen vlucht uit de wereld is, maar een afdaling in haar donkerste werkelijkheid.
Misschien is dat de reden waarom Midden-aarde nog altijd leeft: niet omdat zij een kant-en-klaar antwoord geeft, maar omdat zij de juiste vragen blijft stellen. Wat doen wij met macht? Wat verliezen wij wanneer wij alles willen beheersen? Welke wereld laten wij achter voor wie na ons komt? En zijn wij, in onze eigen tijd, nog in staat het kwaad te herkennen op de velden die ons zijn toevertrouwd?


