Diderot

Diderot

Tantes - Cyriel Buysse

Een indringende roman over familie, standsverschillen, liefde en verstikkende burgerlijke conventies.

aug 11, 2026
∙ Betaald

Hoofdstuk I

Het feestmaal liep ten einde... Enkele heren hadden al een sigaret opgestoken. De blauwe rook kringelde licht langs de verhitte gezichten en bleef hier en daar hangen, als een doorschijnende sluier rond het kapsel van de dames.

Het wazig grijze licht van de novemberdag stierf langzaam weg en de verste hoeken van de ruime eetkamer verdwenen in de schemering. De silhouetten van de pasgetrouwden, die naast elkaar met hun rug naar een van de ramen zaten, begonnen zich donker af te tekenen tegen het lichte raamvlak.

Het nagerecht was gegeten. De glazen bleven halfvol staan en werden niet meer bijgevuld of leeggedronken. Iedereen werd moe en zat vol. Op sommige plaatsen klonk het gesprek nog levendig en opgewonden, maar de meesten zaten strak en stil te wachten tot iemand het sein zou geven om de benauwde kamer te verlaten.

Marie stond langzaam op en Max volgde meteen haar voorbeeld. Rond de lange tafels viel plotseling een stilte. Ze liepen zacht achter de stoelen langs naar de plaats waar meneer Dufour zat en bogen zich naar hem toe.

— Papa, het wordt tijd voor ons, fluisterde Max.

Meneer Dufour, die nog druk in gesprek was met zijn buurvrouw, keek verrast op.

— Nu al!

— Ja, papa, het is vier uur en het rijtuig staat klaar, zei Marie op haar beurt.

Meneer Dufour stond op. Zijn beweging was voor iedereen het teken om hetzelfde te doen. Te midden van neergelegde servetten en achteruitgeschoven stoelen maakten ze zich klaar om afscheid te nemen van het bruidspaar.

— Kom, goede reis! zei meneer Dufour. Zijn stem klonk zoals altijd bars, maar verraadde toch enige ontroering.

Hij strekte zijn armen uit en omhelsde eerst zijn zoon en daarna zijn schoondochter. Zijn ogen stonden waterig. Zijn onderlip stak koppig naar voren en duwde zijn bovenlip met de stekelige snor omhoog. Hij kon zich niet herinneren dat hij in jaren een van zijn kinderen had omhelsd.

— Goede reis... en een behouden thuiskomst! herhaalde hij, met een korte snik in zijn stem. Zijn handen beefden licht.

— Gaat u maar weer rustig zitten, papa. Blijf bij uw gasten, drong Max kalm aan.

Meneer Dufour onderdrukte zijn ontroering en gehoorzaamde automatisch.

Zacht liepen de pasgetrouwden verder, achter de lange rij stoelen langs. Max glimlachte. Zijn stralende, zegevierende ogen glansden in zijn regelmatig gevormde gezicht met de donkere, volle baard. Over zijn hele houding lag iets sterks en zelfbewusts, alsof hem een schat was toevertrouwd die hij voortaan krachtig moest verdedigen. Marie bewoog zich stil en bescheiden naast hem, bijna onderdanig. Het leek alsof ze alle zelfstandigheid had opgegeven. Ze zag er heel slank en wat schraal uit in haar lange, witte bruidsjurk met oranjebloesem. De fijne sluier die naar achteren viel, omlijstte zacht, lief en sierlijk het zuivere ovaal van haar gezicht, met het donkere haar en de donkerzachte ogen. Ze was niet echt mooi, maar wel gracieus.

Ze kwamen bij de tantes. Er waren drie tantes, zussen van meneer Dufour: tante Clemence, tante Estelle en tante Victoire. Tante Clemence deed haar zachte naam geen eer aan. Ze had een hard, stug gezicht met scherp getekende trekken: het vrouwelijke evenbeeld van haar broer. Haar blonde, steile haar verzachtte die hardheid helemaal niet, evenmin als haar lichtblauwe ogen, die koud waren als staal en meestal streng en afwijzend keken.

Tante Estelle daarentegen leek een en al goedheid en zachtheid, en dat was ze ook. Ze kon altijd zo vriendelijk glimlachen. Haar haar, dat al op jonge leeftijd zilvergrijs was geworden, versterkte de indruk van goedhartigheid, lieve voorkomendheid en zachtheid. Lag het in haar aard om zo te zijn, of was ze zo geworden na het grote en langdurige liefdesverdriet dat de rest van haar leven had ontwricht en kleurloos gemaakt?

Een tijdlang had er tussen de drie zussen een soort oorlog geheerst. Zowel de oudste, een felle mannenhaatster, als de jongste, naar wie nog nooit een man had omgekeken, hadden Estelles keuze zonder voorbehoud afgekeurd. Pas nadat ze voorgoed van haar huwelijksplan had afgezien, hadden ze zich met haar verzoend.

Daarna was tante Estelle ziek geworden en altijd zwak gebleven. Sindsdien had ze geen eigen wil meer en stond ze volledig onder invloed van haar oudere, sterkere zus, en ook wel van haar jongere, vaak zo lastige zus. Die jongste, tante Victoire, had de eigenaardigheid dat ze de oudste van de drie leek. Ze had een lelijk, bleek gezicht, met rimpels langs haar neus en wallen onder haar norse ogen. Haar grote mond, met kunstgebit en stijf op elkaar geklemde lippen, leek voortdurend vanbinnen te brommen en te blazen, alsof ze inwendig haar woede en wrevel uitte over de karige gratie die de natuur haar had geschonken. Ze kon slecht tegen jeugd en vrolijkheid en zocht haar troost in de kerk. Net als haar zussen behoorde ze daar tot de trouwste en vroomste bezoekers.

— Tante Clemence... begon Max, terwijl hij voor het afscheid diep voor de oude, ongehuwde vrouw boog. Hier, bij de tantes die waarschijnlijk nooit zouden trouwen en van wie hij en zijn zussen later alles zouden erven, verliet hem al zijn zelfbewuste zekerheid. Hij voelde zich weer het kleine jongetje van vroeger dat hij in hun ogen altijd was gebleven. Hij zou Marie nooit tot vrouw hebben gekozen wanneer die keuze tegen de zin van de tantes was geweest. Gelukkig was dat niet het geval. Alle drie hadden ze genadig hun goedkeuring gegeven. Maar toch... voor hen was zijn huwelijk bijna een onverwachte uitspatting geweest, iets wat ze uiteindelijk door de vingers wilden zien, maar wat dan ook volkomen fatsoenlijk en degelijk moest zijn en blijven, zonder ook maar één smetje of vlekje.

— Max... antwoordde tante Clemence. Terwijl ze hem de hand gaf, keek ze haar neef strak in de ogen. Zul je wel goed voor alles zorgen, Max? Zorgen dat je huwelijk ons alleen maar genoegen, eer en plezier brengt?

Max begreep niet goed wat tante Clemence daar precies mee bedoelde, maar hij haastte zich toch om ja te zeggen. Hij drukte stevig haar hand, alsof het om een plechtige belofte ging die hij met een eed bezegelde.

— En jij ook, Marie? Mag ik dat ook van jou verwachten? herhaalde tante Clemence, terwijl ze zich strak naar de bruid keerde.

— O ja, tante, o ja, herhaalde Marie bevend. Haar wangen begonnen plotseling te gloeien onder de lichte bruidssluier. Ze wist niet meer wat ze moest zeggen of doen. Opeens voelde ze zich als een schuldige bruid tegenover die stugge, harde, ongehuwde vrouw. In haar radeloosheid boog ze zich naar haar toe en gaf haar, zacht bevend, een kus op beide wangen.

Het was alsof ze leer kuste. Tante Clemence maakte even onwillekeurig een beweging om zich terug te trekken, maar liet het toch gebeuren. Ze kuste niet terug.

Het afscheid van de goedige tante Estelle werkte daarna als troost en balsem. Zij was natuurlijk een en al goedheid en hartelijkheid en sprak haar gelukwensen volkomen oprecht uit. Tante Victoire daarentegen was allesbehalve toegankelijk of vriendelijk gestemd. Ze verkeerde in een van haar norse buien en vroeg abrupt, zonder de pasgetrouwden aan te kijken:

— Beseffen jullie wel dat het huwelijk een heel ernstige zaak is?

— Zeker, tante! Natuurlijk, tante, antwoordden ze allebei deemoedig.

— Dat het geen dwaas spelletje is, geen lachen en spelen! drong tante Victoire nogal nijdig aan. Achter haar stijf gesloten lippen leek ze inwendig te blazen.

— Natuurlijk, tante, natuurlijk.

— Ik hoop dat jullie een mooi en zuiver huwelijk zullen leiden, geen dwaas spelletje.

— Dat beloven we u, tante. Dat beloven we u.

Max drukte ontdaan haar hand en Marie omhelsde haar, zoals ze ook tante Clemence en tante Estelle had omhelsd. Net als tante Clemence liet tante Victoire zich kussen, maar ze kuste niet terug. Ze maakte alleen een vreemd geluid, diep in haar gesloten mond.

Nu liepen de pasgetrouwden haastig langs de tafels en schudden overal handen. Max drukte nog snel beide handen van zijn beste vriend Raymond. Als laatsten namen ze afscheid van Clara, Adrienne en Edmée, de drie zussen van Max, die hen tot buiten de deur vergezelden.

Alle drie de jonge vrouwen hadden tranen in hun ogen. Ze lachten en huilden tegelijk. Ze waren gelukkig en verdrietig. Zo ging dat nu eenmaal in zulke omstandigheden. Ze leefden veel sterker mee dan hun vader en de tantes. Ze hielden veel van Marie en hadden haar tijdens de paar maanden van de verloving leren waarderen. Ook voelden ze diep medelijden met haar, omdat ze haar ouders nooit had gekend: beiden waren kort na elkaar overleden. Ze had haar kindertijd en jeugd doorgebracht bij een oude, zieke tante die haar bed al jaren niet meer verliet. Daarom had de huwelijksplechtigheid niet bij die tante thuis kunnen plaatsvinden, maar bij meneer Dufour. Ook daarom hadden de drie zussen medelijden met haar. Zelf hadden ze geen moeder meer, maar nog wel hun vader en een eigen huis. Ze hoopten en vertrouwden er van harte op dat Max altijd heel goed voor Marie zou zijn. Ze hoopten dat hij alles voor haar zou betekenen en haar zou geven wat ze zo lang had moeten missen: een gelukkig thuis.

Ze waren uit de feestzaal verdwenen. Adrienne, de tweede zus, ging nog even mee naar boven om Marie te helpen zich om te kleden. Clara en Edmée keerden terug naar de feestzaal.

Op aandringen van meneer Dufour, die zijn korte ontroering al snel had overwonnen, waren de gasten weer gaan zitten. Hij liet een paar lampen aansteken en meteen keerde de gezelligheid terug rond de tafel, die wat rommelig was geworden. De gesprekken klonken weer vrolijk en de glazen werden opnieuw gevuld. Meneer Dufour stelde voor dat iedereen gewoon bleef zitten om koffie en likeur te drinken. Ook dat bracht nieuwe levendigheid, terwijl overal de sigaren rookten.

Toen ontstond opnieuw een korte opschudding. Een rijtuig met twee paarden kwam langzaam voorrijden en hield stil bij het open hek. De koetsier droeg een hoge hoed en om zijn zweep zat een wit strikje.

— Ze gaan vertrekken! Daar zijn ze! riep iemand.

Meteen stonden de familieleden en een aantal vrienden op en gingen bij de ramen staan.

In het afnemende schemerlicht zagen ze buiten hoe koffers en reistassen werden opgeladen. Aan de overkant van de straat stond een nieuwsgierige menigte tegen de huizen. Een boer die juist met een wagen voorbijkwam, hield zijn paarden stil.

Marie kwam door het hek en liep haastig naar het rijtuig. Ze draaide zich om, glimlachte en zwaaide naar de mensen voor de ramen. Ze droeg een donkerbruin mantelpak en een aardig zwart kaphoedje. Het stond haar goed. Ze was geen jong meisje meer, maar een jonge vrouw. Max en Adrienne volgden haar. Max zag er heel deftig uit in zijn mooie, nieuwe winterjas; Adrienne had losjes een bontmanteltje over haar schouders geslagen. Ook Max groette zelfbewust en deftig naar de ramen. Hij en Marie stapten in. De koetsier gaf de paarden een tik en het rijtuig reed weg. Nog even keken ze door het raampje en zwaaiden ze voor de laatste keer. Ze waren weg! De nieuwsgierige menigte keek het vertrekkende rijtuig na.

In de feestzaal waren de genodigden opnieuw gaan zitten. Ook Adrienne nam haar plaats weer in, recht tegenover Raymond, de beste vriend van Max. Zij was dieper aangedaan dan haar zussen. Ze veegde haar laatste tranen weg en zuchtte.

— Vertrokken, juffrouw? vroeg Raymond haar van de overkant van de tafel, alleen maar om iets te zeggen.

— Vertrokken, antwoordde ze automatisch. Ze glimlachte verlegen en sloeg haar ogen neer.

Zoals altijd maakte zijn uiterlijk indruk op haar. Hij was een knappe man, met donker haar, een mooie snor en sprekende ogen. Je herkende meteen de veroveraar in hem, de man die veel succes had bij vrouwen. In een stedelijke omgeving, met iets verfijnds en bijna verwijfds over zich, had hij gemakkelijk té mooi kunnen lijken, te veel op een gladde kappersbediende. Hier, in het welgestelde dorpsmilieu dat dichter bij de natuur stond, viel hij niet uit de toon. Hij was robuust knap, met een gebruinde huid en veerkrachtige bewegingen. Zijn lach was fris en open. Er sprak iets vastberadens uit hem, bijna iets gedurfds, en tegelijk iets eerlijks en goeds. Het was prettig om naar hem te kijken. Mensen voelden zich tot hem aangetrokken, maar bleven tegelijk enigszins op hun hoede, vooral door de krachtige, soms bijna stekende uitdrukking in zijn ogen.

Hij woonde op het zogeheten Carvin, half landgoed en half boerderij, net buiten de bebouwde kom van het dorp. Hij leefde er alleen en ongehuwd, met een oude keukenmeid en ander personeel, en hield zich bezig met landbouw, meer uit liefhebberij dan uit noodzaak.

— Ik ben boer, boer! zei hij graag, met een wat aanstellerige nadruk, tegen iedereen die hem naar zijn beroep vroeg.

Maar wie hem kende, wist heel goed dat dit meer pose dan werkelijkheid was en dat zijn boerderij gerust een luxueus buitenverblijf mocht worden genoemd.

Het liefst ging hij jagen en reed hij uit op mooie paarden. Je leerde hem pas echt kennen wanneer je met hem over de jacht en paarden sprak. Dan begon hij zich op zijn stoel te bewegen alsof hij in een zadel zat. Zijn ogen glinsterden, zijn wangen kregen kleur en zijn handen bewogen alsof hij de teugels voerde. De uren telden niet meer. Hij zou een hele dag zijn blijven zitten naast iemand die maar naar hem wilde luisteren en met hem wilde meepraten.

In Max had hij iemand naar zijn hart gevonden, bezeten door dezelfde hartstochten. Ze gingen geregeld samen paardrijden en jagen, of zochten elkaar op om over hun passie te praten. Daaruit was een sterke wederzijdse gehechtheid ontstaan, een vriendschap die een leven lang leek te zullen duren. Max, die rechten studeerde, had lang niet zoveel vrije tijd als Raymond, maar de tijd die hij had, bracht hij met zijn vriend door.

Wat was het dan ook een teleurstelling en een klap voor Raymond toen hij hoorde dat Max ernstig verliefd was geworden en aan trouwen dacht! Het voelde als ontrouw, bedrog, bijna als verraad. Vooral de vrouw die hem zijn vriend afnam, nam hij dat kwalijk. Wat betekenden vrouwen nu in het leven van een flinke jonge man? Je wist toch waar je ze kon vinden wanneer je ze nodig had! Max wist dat ook; ze waren vaak genoeg samen op stap geweest. Raymond spaarde zijn vriend zijn steken en verwijten niet. Maar toen hij merkte hoe ernstig Max het opnam en hoe die onder zijn spot en verwijten eerst verdrietig en uiteindelijk boos werd, hield hij ermee op. Met zijn gemakkelijke en inschikkelijke aard legde hij zich bij het onvermijdelijke neer. Vooruit dan maar, trouwen, als het werkelijk niet anders kon! Maar daarom hoefden ze toch geen vijanden te worden. Ze konden nog altijd samen paardrijden en jagen, en misschien zelfs af en toe weer samen de meisjes bezoeken, zoals vroeger...

— Nee! Dat nooit! Jagen en paardrijden wel, maar het andere nooit meer... nooit! had Max met koppige beslistheid uitgeroepen.

— Ach kom, later denk je er wel anders over, wanneer de nieuwigheid eraf is, had Raymond lachend geantwoord.

Het had bijna tot ruzie en een breuk geleid. Max had hem uitdrukkelijk gevraagd er nooit meer over te beginnen. Raymond had er daarom maar over gezwegen en zat nu braaf aan het bruiloftsmaal van zijn vriend, recht tegenover de tweede zus van Max. Adrienne was zacht, lief en vriendelijk, en soms ook mooi, zoals nu in haar keurige, lichtgekleurde feestjurk. Raymond vond alleen dat haar jurk niet laag genoeg was uitgesneden, misschien uit angst voor de stijve, preutse tantes. Daardoor zag ze er wat stijf uit, zelfs nu, in de opwinding van het feest, dat om haar heen leek te golven zonder haar werkelijk te raken.

Raymond wist niet, en kon ook niet weten, wat Adrienne werkelijk en diep vanbinnen voor hem voelde. Hij vermoedde niet eens dat ze bijzondere gevoelens voor hem koesterde, want zelf voelde hij niets bijzonders voor haar. Voor hem was ze niet meer dan de hartelijke zus van zijn vriend. Haar gezicht verscheen zeker nooit voor zijn ogen wanneer verlangen of hartstocht naar een vrouw in hem opkwam.

Had hij het maar geweten... Had hij maar geweten wat ze voor hem voelde! Hij had de stille, diepe gloed moeten aanvoelen die soms zo pijnlijk in haar brandde, verborgen onder de bedrieglijke ijslaag van haar terughoudendheid. Hij had moeten weten met hoeveel vrouwelijke list en sluwheid ze de feesttafel zo had laten schikken dat ze tegenover hem kwam te zitten. Niet naast hem — dat zou te veel zijn opgevallen en haar zussen, en vooral Max, mochten niets merken — maar tegenover hem, zodat ze hem de hele lange middag goed kon zien, bewonderen en in stilte van hem kon genieten.

Wat een vreemd contrast! Wat haar zo sterk in hem aantrok, was juist wat zij zelf niet bezat. Ze hield van zijn gezonde, zwierige losheid, van zijn plotseling opvlammende, soms wat al te uitbundige vrolijkheid en van de lachende onbevangenheid waarmee hij door de wereld ging.

Ze voelde in hem een soort superioriteit die ze benijdde en waarop ze soms jaloers was.

Dat alles hield ze diep in zichzelf verborgen, zonder er ooit iets van te laten merken. Het vuur schoot naar haar wangen wanneer ze dacht dat hij het misschien zou merken of aanvoelen. Ze stelde zich de mogelijke onthulling van haar geheim voor als een ramp die haar hele leven overhoop zou halen en verwoesten, zoals een vergelijkbare liefde ooit het leven van de goedige tante Estelle had verwoest. Wat zou haar vader zeggen? Wat zouden Max en haar zussen zeggen? En de tantes, de tantes!... Vreemd genoeg durfde ze geen moment te denken dat haar familie er misschien juist blij mee zou zijn. Nee, intuïtief voelde ze heel sterk dat ze ertegen zouden zijn, dat ze er allemaal, allemaal tegen zouden zijn. Waarom? Dat kon ze niet zeggen, maar ze voelde het. Haar liefde was een ramp, dat wist ze. Omdat ze dat zo diep en helder voelde, huilde ze soms in stilte van verdriet en ellende, terwijl het haar onmogelijk was die hartstocht van zich af te schudden en te overwinnen.

Achter een zachte schijn van rustige tevredenheid met haar leven was Adrienne diep ongelukkig, zonder dat iemand om haar heen daar iets van vermoedde.

Plotseling viel er een bijna plechtige stilte over de vrolijke feesttafel. De tantes waren statig opgestaan en wilden vertrekken. Met hun drieën woonden ze in een landhuis in een naburig dorp en hun rijtuig stond klaar. Ze waren het liefst thuis voordat het helemaal donker werd. Ze waren bang om alleen met Vreesken, hun oude koetsier, over de eenzame, donkere wegen te rijden. Deftig, in een rij, liepen ze naar meneer Dufour en drukten hem ten afscheid de hand.

— Nu al! riep hij, terwijl hij verbazing veinsde.

— Het wordt al donker, zei tante Clemence. Haar stugge gezicht keek bijna verwijtend, alsof het de schuld van haar broer was dat ze er te lang waren gebleven.

— We hebben ons uitstekend vermaakt, uitstekend! glimlachte de goedige tante Estelle.

Tante Victoire mompelde iets onverstaanbaars. Haar verlepte gezicht stond nors en het leek alsof ze vanbinnen blies.

Zodra de drie nichtjes de tantes zagen opstaan, sprongen ook zij als door een veer bewogen van hun stoelen. Adrienne rende alvast de kamer uit om de mantels te halen, terwijl Clara en Edmée zich druk maakten om de drie oude, ongehuwde vrouwen. Het leek alsof hun vertrek een uiterst gewichtige gebeurtenis was en alsof ze aan een verre, gevaarlijke reis begonnen.

— Zorg er toch voor dat u geen kou vat, tante Clemence.

— Zal ik uw bont alvast om uw schouders slaan, tante Victoire?

Om tante Estelle maakten ze zich minder druk; zij was toch altijd tevreden.

Met de tantes stonden ook alle andere gasten een voor een op. Het was eigenlijk vreemd. De oude tantes waren bepaald geen toonbeelden van uitbundige gezelligheid, maar hun aanzien binnen de familie Dufour was zo groot dat het bijna ongepast zou hebben geleken om door te feesten wanneer zij er niet meer waren. Om de beurt kwamen de gasten afscheid nemen van meneer Dufour en zijn drie dochters. De meeste gezichten glommen rood, en dat van meneer Dufour niet het minst: hij was opgewonden en had behoorlijk veel gedronken. Adrienne glimlachte zacht naar Raymond en sloeg meteen haar ogen neer. Haar hand was klam en beefde toen ze de zijne drukte. Hij merkte er niets van. Hij was druk in gesprek met een paar neven van Marie, de Verstrats, die net als hij liefhebbers van paarden en de jacht waren. Pratend liep hij met hen mee, zonder nog één keer naar Adrienne om te kijken. Ze voelde een vaag verdriet dat nog sterker werd toen de laatste gast was vertrokken en de ruime kamer plotseling stil en leeg achterbleef. Ook haar vader was weggegaan, alsof hij was meegezogen door de stroom van vertrekkende mensen. Hij had behoefte aan andere lucht en zou even met een paar vrienden naar een café gaan. Hij zou niet lang wegblijven.

Nu stonden de drie dochters daar doelloos, zonder te weten waar ze heen moesten of wat ze moesten doen. Ze keken over de bevlekte tafels met de nog halfvolle wijnglazen en de verwelkende bloemen. De wanorde trof hen in al haar prozaïsche nuchterheid, alsof ze zich in een hotel of restaurant bevonden waar zojuist een feestmaal had plaatsgevonden. Ze voelden zich niet langer thuis, vooral toen ze de onbekende obers zagen die voor de gelegenheid waren ingehuurd en nu roerloos in de open deur stonden te wachten om op te ruimen.

Het dienstmeisje van boven kwam wat verlegen tevoorschijn.

— Juffrouw Clara, wilt u niet naar uw salonnetje gaan terwijl we hier afruimen? Ik zal daar het licht aandoen.

— Ja, Martha, dat is goed, zeiden ze alle drie. Het leek bijna alsof ze blij waren dat een vreemde hun vertelde wat ze nu moesten doen. Ze haastten zich weg. Toen ze in het salonnetje naast de grote eetkamer waren, gingen ze in het halfduister bij het brede raam zitten. Ze zeiden tegen Martha dat ze liever nog geen licht wilden. Ze zouden gewoon een poosje praten en in de schemering zitten.

Met de duisternis viel de stilte als een zware, drukkende deken over hen heen. Alleen door het grote raam kwam nog wat grijzig licht van buiten. Daar keken ze roerloos en peinzend naar, met dromende ogen.

Waar zouden Max en Marie op dit moment zijn en wat zouden ze doen? Nu... nu zaten ze in de trein, op weg naar de grote stad, waar ze samen hun eerste huwelijksnacht zouden doorbrengen. Samen... voortaan altijd samen. Samen in geluk, samen in verdriet; maar samen, altijd samen, hun leven lang. Dat was de schoonheid van het huwelijk, de schoonheid van het geluk. Dat was het doel van het leven. Straks, alleen op hun kamer, ver van het holle gewoel van de mensen, zou hij haar hartstochtelijk tegen zich aandrukken, haar kussen, haar op de mond kussen en met een gedempte, trillende stem tegen haar zeggen: Ik ben gelukkig, Marie; ik ben de gelukkigste mens ter wereld!

Gelukkige Marie, gelukkige vrouw, tegen wie een man vol vurige liefde kon zeggen dat hij door haar... door haar alleen zo innig en volkomen gelukkig was! Waarom viel Marie dat grote geluk ten deel en niet een van hen drieën? Wat had ze ervoor gedaan... en wat moest je doen om het te bereiken?

Ach... Marie had er niets voor gedaan, net zomin als zij er ooit iets voor hadden gedaan. Het was vanzelf naar haar toe gekomen, zoals de stille dauw ‘s nachts op de planten neerdaalt. Het had haar toegelachen en gestreeld; zij had alleen maar terug hoeven glimlachen en ja hoeven zeggen.

Ze zaten te peinzen en te staren: drie vage schimmen in nutteloze feestkleren voor het brede raam, tegen de grijze schemering buiten. In de grote zaal ernaast hoorden ze de gedempte geluiden rond de afgeruimde feesttafel: een zacht gerinkel van kristal of zilver, het tikken van borden en een vaag geroezemoes van stemmen. Het waren de laatste echo’s van de verdwenen vreugde en opgewektheid. Het was voorbij en zou nooit meer terugkeren. Als alles ooit opnieuw voor een soortgelijke plechtigheid werd gebruikt, zou het toch anders zijn. Dingen die eenmaal voorbij waren, kwamen nooit, nooit meer terug.

Er werd zacht op de deur geklopt. Alle drie schrokken ze uit hun mijmeringen op en Clara antwoordde:

— Binnen.

— Pardon, juffrouw, zei Martha, terwijl ze zacht tevoorschijn kwam. Weten jullie of papa komt eten?

Eten! Ze wisten het niet; geen van hen had zin om nog iets te gebruiken. Ze dachten helemaal niet meer aan eten.

Het meisje trok zich even stil terug als ze was verschenen. Toch had haar schimmige komst de stemming verstoord. Nu de zussen uit hun onbestemde, vaag verdrietige mijmeringen ontwaakten, voelden ze ineens weer de nuchtere, dorre werkelijkheid om zich heen, die al jaren hun gewone leven vormde.

Met schrijnende pijn voelden ze de hopeloze eenzaamheid en verlatenheid van hun bestaan. Dat grote dorp waarin ze leefden, waarin ze moesten blijven leven, haatten ze omdat het hen doodde. Ze gingen er met niemand om. Er waren geen jonge vrouwen van hun stand en leeftijd, geen jonge mannen met wie ze onbevangen konden omgaan. Er was niets, niemand. Ze waren er levend begraven en werden naar lichaam en ziel gewurgd. Het dorp, dat was die lange straat met stugge of bekrompen huizen, waarachter norse teruggetrokkenheid of kleinzielige afgunst leek te schuilen. Het dorp, dat waren de brouwer, de jeneverstoker, de kolenhandelaar en de andere notabelen, onder wie hun vader, die op vaste tijden in smerige cafés hun borrels gingen drinken. Het dorp, dat was de wekelijkse stoet van boeren en boerinnen die met hun dieren en andere producten naar het marktplein trokken. En verder was het dorp de dood, het graf, ieder ogenblik opnieuw verdriet en verveling. Hun enige troost en toevlucht was de kerk. Die bezochten ze trouw tweemaal per dag, ‘s morgens en ‘s avonds, even geregeld als de notabele drinkebroers hun vaste cafés bezochten.

Daar, in de kerk, werd hun ziel gelouterd en verhief hun hele wezen zich. Telkens leefden ze een uur lang buiten hun beperkte wereld, in een bedwelmende, mystiek-zinnelijke extase. De kerk was er voor de vrouwen; daar voelden zij zich thuis, daar lag hun eigen, diepste leven. Ze voelden zich er nauw verbonden met de andere vrouwen, die in de naar wierook geurende schemering vroom geknield zaten. Ze werden er zelf bijna kloosterzusters. Hun dwepende zielen, vol mystieke verlangens, zweefden mee met de zielen van de nonnen uit het klooster, die daar ook altijd, altijd zaten, zo diep in stille vroomheid neergebogen dat ze slechts onstoffelijke gestalten leken, roerloze, plechtige verschijningen zoals de figuren op de hoge glas-in-loodramen. Ook de pastoor en zijn dienaren leken er gelouterd en vergeestelijkt. In hun lange, slepende gewaden, met hun plechtige gezangen en zalvende gebaren, waren ze zachtere wezens geworden, vol goedheid en vertrouwen, verheven wezens die in harmonie waren met het gemoed van de vrouwen.

Dat was de dagelijkse poëzie die het leven draaglijk maakte en telkens weer zoete verkwikking en troost bracht in zoveel stugge, nuchtere werkelijkheid.

De nacht was nu volledig gevallen. Het brede raam stond zwart tegen het zwart van de straat, waar slechts een paar zwakke lichtjes treurig glommen in de huizen aan de overkant. Nog altijd bleven de drie zussen daar roerloos in hun mijmeringen zitten. Slechts nu en dan spraken ze een enkel woord. Hun ogen staarden in de duisternis naar de weemoedige beelden die hun sombere gedachten opriepen. Waar moest het met hen heen? Wat zou er van hen worden? Zouden ze langzaam het lot van hun drie oude, ongehuwde tantes tegemoetgaan? Of zou er toch nog iemand komen die hen het mooie, volle leven binnenleidde, zoals Max dat voor Marie had gedaan? Ze hadden nog niet alle hoop verloren, maar ze waren zo bang. Ze voelden zoveel hindernissen om zich heen en zagen zo weinig licht in de verte. Dat licht had er al moeten zijn; ze wachtten al zo lang. Clara was dertig, Adrienne achtentwintig en Edmée vijfentwintig. Soms voelden ze zich al oud. Ze hadden al iets van hun oudere tantes. Clara leek sterk op tante Clemence en ging met de dag meer op haar lijken. Adrienne deed denken aan de goedige tante Estelle. Alleen Edmée leek op geen van hen, maar Edmée had een slechte gezondheid. Ze leek maar half te leven. Ze had zwakke ogen en een ongezonde teint, en haar gezicht zag er altijd bleek en slaperig uit, alsof ze nooit helemaal wakker was geworden.

De gedachte dat ze ooit zouden worden en verworden als de drie oudere tantes, was de voortdurende angst en afschuw van hun hele bestaan. In zichzelf vochten ze tegen dat schrikbeeld, zonder de kracht te voelen om aan de dodelijke beklemming te ontsnappen. De drie oude tantes regeerden namelijk heimelijk en almachtig over het leven en de toekomst van hun drie nichtjes, al werd dat nooit hardop gezegd. Ze waren rijk en hun vermogen zou later ook de nichtjes rijk maken. Om dat vermogen draaide alles. Omwille van die erfenis mocht er nooit iets gebeuren wat tegen de zin van de tantes inging en hun ongenoegen kon wekken. Max had niet met Marie kunnen trouwen wanneer de tantes dat huwelijk uiteindelijk niet hadden goedgekeurd. Nog minder kon er sprake zijn van een huwelijk van de nichtjes zonder toestemming van de tantes. Zo was het nu eenmaal. Het stond als een grondwet in het leven van het gezin Dufour en kon nooit veranderen. De wil van de tantes heerste!

De deur van het salonnetje ging open. De zware gestalte van meneer Dufour verscheen in de opening, fel verlicht door de lamp in de gang.

— Wat! Zitten jullie nog in het donker? riep hij verbaasd. Hebben jullie gegeten?

— Niemand van ons had trek, antwoordde Clara met matte stem.

Meneer Dufour lachte voldaan en vettig.

— Het eten was goed, hè!

— Heel goed, antwoordden ze kalm.

— Al met al was het een mooie dag, een mooie dag! pochte meneer Dufour overtuigd.

— Een mooie dag... herhaalden ze als een echo.

— Max heeft een goede keuze gemaakt, een uitstekende keuze! ging meneer Dufour opgewekt verder. Een mooi fortuin, een aardig meisje en vooruitzichten! Vooruitzichten!...

De meisjes zeiden niets meer. Ook zij hadden genoeg verwachtingen; was er maar wat meer tastbare werkelijkheid bij! De enthousiaste opgewondenheid van hun vader ergerde hen een beetje, vooral Clara, die soms vinnig uit de hoek kon komen. Ze probeerde zich in te houden, maar kon het toch niet voor zich houden:

— Ik hoop dat ook wij dat geluk ooit mogen meemaken.

In het donker maakte meneer Dufour snel een verbaasd, bijna afwerend gebaar.

— Jullie hebben tijd genoeg, tijd genoeg! vond hij.

— Ja, riep Clara fel, voor ons is er altijd tijd genoeg! Wij doen er blijkbaar niet toe! Maar weet u wel dat ik de dertig al voorbij ben, Adrienne achtentwintig is en Edmée binnenkort zesentwintig wordt, terwijl Marie nog drieëntwintig moet worden?

— Wat bewijst dat nou? Wat bewijst dat nou? herhaalde meneer Dufour. Licht geïrriteerd haalde hij achteloos zijn schouders op.

— Er is hier niets voor ons, niets, niets! riep Clara verbitterd.

Plotseling barstte ze in tranen uit.

Meneer Dufour, Adrienne en Edmée schrokken alle drie hevig.

— Kom, kom... probeerde meneer Dufour haar te kalmeren. Rustig, rustig, de dienstmeisjes kunnen ons horen.

— Laten we het licht aandoen, stelde Adrienne bevend voor, alsof dat Clara tot bedaren zou kunnen brengen.

— Ja, licht... licht... herhaalde meneer Dufour.

— Geen licht! Geen licht! Ik sla de lamp kapot! gilde Clara, terwijl ze plotseling woest opsprong.

Meneer Dufour vluchtte de kamer uit en smeet de deur achter zich dicht.

— O, Clara, Clara! sidderde Adrienne.

Er viel plotseling een stilte. Ze hoorden Clara zwaar ademen. Een paar keer liep ze gejaagd heen en weer door het salonnetje. Toen liet ze zich op een stoel vallen en bleef daar zwijgend zitten, als een dode...

In de stille duisternis, in de angstige benauwdheid van het kleine vertrek, stegen diepe zuchten op die langzaam overgingen in doffe snikken. Alle drie dachten ze aan Max en Marie, die nu volmaakt gelukkig waren, en hun overspannen zenuwen trilden...

Deze post is voor betalende abonnees

Ben je al een betalende abonnee? Inloggen
© 2026 Uitgeverij Diderot · Privacy ∙ Voorwaarden ∙ Incassomelding
Begin je SubstackDownload de App
Substack is de plek voor geweldige cultuur