Diderot

Diderot

Schaaknovelle - Stefan Zweig

Een strijd op het schaakbord, een oorlog in de geest.

okt 18, 2026

Wat gebeurt er als het enige wat je geest kan redden, je langzaam tot waanzin drijft?

Aan boord van een schip naar Buenos Aires komt een mysterieuze passagier tegenover de wereldkampioen schaken te staan. Wat begint als een onschuldig spel verandert in een zinderende confrontatie tussen twee uitzonderlijke geesten. Maar voor de raadselachtige Dr. B. staat er veel meer op het spel dan alleen de overwinning. Toen de nazi’s hem gevangenhielden, vond hij in het schaakspel zijn enige ontsnapping aan de ondraaglijke eenzaamheid. Een redding die uitgroeide tot een gevaarlijke obsessie.

Met meesterlijke psychologische scherpte maakt Stefan Zweig van vierenzestig velden een slagveld van herinneringen, macht en overlevingsdrang.

‘Schaaknovelle’ is een aangrijpende, beklemmende en tijdloze klassieker over de kwetsbaarheid én de veerkracht van de menselijke geest. Een kort boek met een verpletterende impact.


Op het grote passagiersstoomschip dat om middernacht van New York naar Buenos Aires zou vertrekken, heerste degebruikelijke drukte en bedrijvigheid van het laatste uur. Bezoekers van de wal verdrongen zich om hun vriendenuitgeleide te doen, telegrambezorgers met scheefgezakte petten schoten namen roepend door de salons, met koffers enbloemen werd gesjouwd, kinderen renden nieuwsgierig de trappen op en af, terwijl het orkest onverstoorbaar doorspeeldevoor de voorstelling op het dek. Ik stond op het promenadedek, iets terzijde van dat gewoel, met een kennis te praten toenvlak naast ons twee- of driemaal een felle flits opvlamde. Kennelijk was vlak voor vertrek nog snel een of andereberoemdheid door verslaggevers geïnterviewd en gefotografeerd. Mijn vriend keek die kant op en glimlachte. ‘U hebtdaar een vreemde vogel aan boord, die Czentovic.’ Omdat ik bij die mededeling blijkbaar nogal onbegrijpend keek,voegde hij er ter verduidelijking aan toe: ‘Mirko Czentovic, de wereldkampioen schaken. Hij heeft heel Amerika van oostnaar west afgereisd om toernooien te spelen en is nu op weg naar nieuwe triomfen in Argentinië.’

Inderdaad herinnerde ik me die jonge wereldkampioen nu weer, en zelfs enkele bijzonderheden over zijn bliksemsnellecarrière. Mijn vriend, die de kranten aandachtiger las dan ik, kon er nog een hele reeks anekdotes aan toevoegen.Ongeveer een jaar geleden had Czentovic zich in één klap naast de gevestigde grootmeesters van de schaakkunstgeschaard, zoals Aljechin, Capablanca, Tartakower, Lasker en Bogoljubow. Sinds het optreden van het zevenjarigewonderkind Rzecewski tijdens het schaaktoernooi van 1922 in New York had de plotselinge intrede van een volslagenonbekende in dat roemrijke gilde niet meer zoveel opzien gebaard. Want Czentovics verstandelijke vermogens lekenallerminst zo’n schitterende loopbaan te voorspellen. Al snel lekte het geheim uit dat deze schaakmeester in zijnprivéleven niet in staat was om in welke taal dan ook een zin zonder spelfouten te schrijven. Zoals een van zijn geërgerdecollega’s bitter spottend opmerkte: ‘Zijn gebrek aan ontwikkeling was op alle gebieden even allesomvattend.’ Czentovicwas de zoon van een straatarme Zuid-Slavische schipper op de Donau, wiens nietige boot op een nacht door eengraanstoomschip was overvaren. Na de dood van zijn vader was de toen twaalfjarige jongen uit medelijden in huisgenomen door de pastoor van het afgelegen dorp. De goede priester deed oprecht zijn best om met bijlessen thuis goed temaken wat het stug zwijgende, trage kind met zijn brede voorhoofd op de dorpsschool niet had kunnen leren.

Maar al zijn inspanningen bleven vergeefs. Telkens opnieuw staarde Mirko naar de schrifttekens die hem al honderd keerwaren uitgelegd, alsof hij ze nooit eerder had gezien. Zelfs de eenvoudigste lesstof kon zijn traag werkende brein nietvasthouden. Als hij moest rekenen, had hij zelfs op zijn veertiende nog iedere keer zijn vingers nodig, en het lezen vaneen boek of krant vergde van de inmiddels opgeschoten jongen nog altijd grote inspanning. Toch kon men Mirko beslistniet onwillig of opstandig noemen. Hij deed gehoorzaam wat hem werd opgedragen, haalde water, hakte hout, hielp meeop het land, ruimde de keuken op en voerde iedere taak die van hem werd verlangd betrouwbaar uit, zij het met eenergerlijke traagheid. Wat de goede pastoor echter het meest ergerde aan de stugge jongen, was zijn volslagenonverschilligheid. Hij deed niets zonder dat het hem uitdrukkelijk werd gevraagd, stelde nooit een vraag, speelde niet metandere jongens en zocht uit zichzelf geen enkele bezigheid, tenzij hem die nadrukkelijk werd opgedragen. Zodra Mirkozijn huishoudelijke werkzaamheden had gedaan, zat hij stug in de kamer voor zich uit te kijken, met die lege blik dieschapen in de wei hebben, zonder de minste belangstelling voor wat er om hem heen gebeurde. Wanneer de pastoor ‘savonds, aan zijn lange boerenpijp trekkend, zijn gebruikelijke drie schaakpartijen speelde met de wachtmeester van degendarmerie, zat de jongen met zijn sluike blonde haar er zwijgend naast en staarde hij vanonder zijn zware oogledenogenschijnlijk slaperig en onverschillig naar het geruite bord.

Op een winteravond, terwijl de twee schakers verdiept waren in hun dagelijkse partij, klonk vanaf de dorpsstraat het gerinkel van de belletjes van een slee, die snel, steeds sneller naderbij kwam. Een boer, zijn muts bestoven met sneeuw, kwam haastig naar binnen stampen. Zijn oude moeder lag op sterven, vertelde hij, en de pastoor moest zich haasten om haar nog op tijd het laatste oliesel toe te dienen. Zonder aarzelen ging de priester met hem mee. De wachtmeester van de gendarmerie, die zijn glas bier nog niet leeg had, stak voor zijn vertrek een nieuwe pijp op en wilde juist zijn zware, hoge laarzen aantrekken, toen hem opviel dat Mirko onafgebroken naar het schaakbord met de onafgemaakte partij bleef kijken.

‘Zo, wil jij de partij uitspelen?’ vroeg hij voor de grap, er vast van overtuigd dat de slaperige jongen geen enkel schaakstuk op de juiste manier zou weten te verzetten. De jongen keek schuw op, knikte toen en ging op de plaats van de pastoor zitten. Na veertien zetten had de wachtmeester verloren. Bovendien moest hij toegeven dat zijn nederlaag beslist niet te wijten was aan een toevallige, onzorgvuldige zet. De tweede partij verliep niet anders.

‘De ezel van Bileam!’ riep de pastoor verbaasd uit toen hij terugkwam. Aan de wachtmeester, die minder goed thuis was in de Bijbel, legde hij uit dat zich tweeduizend jaar geleden al een soortgelijk wonder had voorgedaan, toen een sprakeloos wezen plotseling de taal van de wijsheid had gevonden. Ondanks het late uur kon de pastoor het niet laten zijn halfongeletterde hulpje tot een schaakduel uit te dagen. Mirko versloeg ook hem met gemak. Hij speelde vasthoudend, langzaam en onverstoorbaar, zonder ook maar één keer op te kijken; zijn brede voorhoofd bleef voortdurend over het bord gebogen. Maar hij speelde met een zekerheid waar niets tegenin te brengen viel. In de dagen daarna slaagden noch de wachtmeester, noch de pastoor erin ook maar één partij van hem te winnen. De pastoor, die beter dan wie ook kon beoordelen hoe ver zijn pupil op alle andere gebieden achterbleef, werd nu werkelijk nieuwsgierig of deze merkwaardige, eenzijdige begaafdheid ook een zwaardere beproeving zou doorstaan. Nadat hij Mirko bij de dorpsbarbier zijn weerbarstige, stroblonde haar had laten knippen om hem enigszins toonbaar te maken, nam hij hem in zijn slee mee naar het naburige stadje. Daar wist hij in het café aan het centrale plein een groep verwoede schakers te vinden tegen wie hij zelf, zoals hij uit ervaring wist, niet opgewassen was. Het wekte bij het vaste gezelschap niet weinig verbazing toen de pastoor de vijftienjarige jongen met zijn stroblonde haar en rode wangen, gekleed in een schapenvachtjas met de wol naar binnen en zware, hoge laarzen, het koffiehuis binnen duwde. De jongen bleef er onwennig, met schuw neergeslagen ogen, in een hoek staan totdat men hem naar een van de schaaktafels riep. In de eerste partij verloor Mirko, omdat hij bij de goede pastoor nog nooit de zogenoemde Siciliaanse opening had gezien. In de tweede partij wist hij tegen de beste speler al remise te behalen. Vanaf de derde of vierde partij versloeg hij hen allemaal, de een na de ander.

Nu gebeurt er in een klein Zuid-Slavisch provinciestadje hoogst zelden iets opwindends. Het eerste optreden van deze boerenkampioen werd dan ook onmiddellijk een sensatie onder de verzamelde notabelen. Eenstemmig werd besloten dat het wonderkind beslist tot de volgende dag in de stad moest blijven, zodat men de overige leden van de schaakclub kon bijeenroepen en vooral de oude graaf Simczic, een hartstochtelijk schaker, op zijn kasteel op de hoogte kon brengen. De pastoor, die met een geheel nieuwe trots naar zijn pupil keek, maar ondanks zijn vreugde over de ontdekking zijn verplichte zondagse kerkdienst niet wilde verzuimen, stemde ermee in Mirko voor een nieuwe proef achter te laten. De jonge Czentovic kreeg op kosten van de vaste schakers een kamer in het hotel en zag die avond voor het eerst van zijn leven een wc met waterspoeling. De volgende zondagmiddag was de schaakzaal overvol. Vier uur lang zat Mirko roerloos voor het bord en versloeg, zonder een woord te zeggen of zelfs maar op te kijken, de ene speler na de andere. Ten slotte werd voorgesteld een simultaanpartij te spelen. Het duurde een poos voordat men de jongen, die maar niet begreep wat de bedoeling was, duidelijk had gemaakt dat hij bij een simultaanpartij in zijn eentje tegen verschillende spelers tegelijk moest aantreden. Maar zodra Mirko deze spelwijze eenmaal had begrepen, had hij de opgave snel onder de knie. Op zijn zware, krakende schoenen liep hij langzaam van tafel naar tafel en won uiteindelijk zeven van de acht partijen.

Nu begon men uitvoerig te overleggen. Hoewel deze nieuwe kampioen strikt genomen niet uit het stadje zelf afkomstigwas, was de plaatselijke trots toch hevig aangewakkerd. Misschien kon het kleine stadje, dat tot dan toe nauwelijksiemand op de landkaart had opgemerkt, eindelijk voor het eerst de eer te beurt vallen een beroemd man de wereld in testuren. Een impresario genaamd Koller, die gewoonlijk alleen chansonnières en zangeressen boekte voor het cabaret vanhet garnizoen, verklaarde zich bereid de jongeman in Wenen een gedegen schaakopleiding te laten geven door eenuitstekende, zij het minder bekende schaakmeester die hij persoonlijk kende, mits men voor een jaar een toelagebeschikbaar stelde. Graaf Simczic, die in zestig jaar dagelijks schaken nog nooit zo’n merkwaardige tegenstander hadontmoet, zegde onmiddellijk het benodigde bedrag toe. Op die dag begon de verbazingwekkende carrière van deschipperszoon.

Na een halfjaar beheerste Mirko alle geheimen van de schaaktechniek, zij het met een merkwaardige beperking die laterin schaakkringen veelvuldig werd opgemerkt en bespot. Czentovic slaagde er namelijk nooit in ook maar één schaakpartijuit het hoofd te spelen, of, zoals dat in schaaktermen heet, blind. Hij miste volkomen het vermogen om het slagveld naarde grenzeloze ruimte van zijn verbeelding te verplaatsen. Hij moest het zwart-wit geblokte vierkant met zijn vierenzestigvelden en tweeëndertig schaakstukken altijd daadwerkelijk voor zich hebben. Zelfs toen hij wereldberoemd was, droeg hijvoortdurend een opvouwbaar zakschaakspel bij zich om, wanneer hij een meesterpartij wilde reconstrueren of voorzichzelf een schaakprobleem oplossen, de stelling met eigen ogen te kunnen zien. Deze op zichzelf onbeduidendetekortkoming verried een gebrek aan verbeeldingskracht en werd in de kleine schaakwereld even druk besproken alswanneer onder musici zou blijken dat een uitmuntende virtuoos of dirigent niet zonder opengeslagen partituur kon spelenof dirigeren. Maar deze merkwaardige eigenaardigheid stond Mirko’s verbazingwekkende opmars geenszins in de weg.Op zijn zeventiende had hij al een dozijn schaakprijzen gewonnen, op zijn achttiende het Hongaars kampioenschapveroverd en op zijn twintigste uiteindelijk het wereldkampioenschap. De stoutmoedigste kampioenen, die hem stuk voorstuk in intellectuele begaafdheid, verbeeldingskracht en durf verre overtroffen, bezweken voor zijn taaie, kille logica,zoals Napoleon voor de logge Koetoezov en Hannibal voor Fabius Cunctator, van wie Livius bericht dat ook hij als kindopvallende tekenen van sloomheid en zwakzinnigheid had vertoond. Zo gebeurde het dat voor het eerst een volslagenbuitenstaander in de wereld van de geest zijn intrede deed in de illustere galerij van schaakmeesters, die de meestuiteenlopende vormen van intellectuele begaafdheid in haar gelederen verenigde: filosofen, wiskundigen, berekenende,fantasierijke en vaak ook scheppende geesten. Het was een logge, stug zwijgende boerenjongen, aan wie zelfs degeslepenste journalisten nooit ook maar één voor publicatie bruikbare uitspraak wisten te ontlokken. Wat Czentovic dekranten aan puntige uitspraken onthield, werd echter al gauw ruimschoots gecompenseerd door de anekdotes die overhem de ronde deden. Want zodra Czentovic opstond van het schaakbord, waaraan hij als meester zijn gelijke niet kende,werd hij onherroepelijk een groteske en bijna komische figuur. Ondanks zijn plechtige zwarte pak, zijn pompeuzestropdas met de wat opzichtige parelspeld en zijn met moeite gemanicuurde vingers bleef hij in zijn houding en manierendezelfde bekrompen boerenjongen die vroeger in het dorp de kamer van de pastoor had geveegd. Onhandig en ronduitschaamteloos lomp probeerde hij, tot vermaak en ergernis van zijn collega-schakers, met een kleinzielige en vaak zelfsordinaire hebzucht zo veel mogelijk geld uit zijn talent en roem te slaan. Hij reisde van stad naar stad en overnachttesteevast in de goedkoopste hotels. Hij speelde zelfs bij de meest armzalige verenigingen, zolang men hem maar zijnhonorarium betaalde. Hij liet zijn portret gebruiken in zeepreclames en verkocht zelfs zijn naam voor een boek getiteld‘Filosofie van het schaken’, zonder zich iets aan te trekken van de spot van zijn concurrenten, die maar al te goed wistendat hij niet in staat was drie zinnen foutloos te schrijven. In werkelijkheid was het boek door een onbeduidende student uitGalicië geschreven voor de zakelijk ingestelde uitgever. Zoals alle hardnekkige naturen had Czentovic geen enkel gevoelvoor het belachelijke. Sinds zijn overwinning op het wereldtoernooi beschouwde hij zichzelf als de belangrijkste man terwereld. Het besef dat hij al die knappe koppen, intellectuelen en briljante sprekers en schrijvers op hun eigen terrein hadverslagen, en vooral het tastbare feit dat hij meer verdiende dan zij, veranderden zijn aanvankelijke onzekerheid in eenkille trots, die hij meestal op lompe wijze tentoonspreidde.

‘Maar hoe zou zo’n plotselinge roem iemand met zo’n leeg hoofd niet naar het hoofd stijgen?’ besloot mijn vriend, die me zojuist enkele treffende staaltjes van Czentovics kinderachtige verwaandheid had verteld. ‘Hoe zou een eenentwintigjarige boerenjongen uit de Banaat niet gek van ijdelheid worden als hij plotseling, door een beetje met schaakstukken over een houten bord te schuiven, in één week meer verdient dan zijn hele dorp thuis in een heel jaar met houthakken en het zwaarste gezwoeg? En is het niet vervloekt gemakkelijk jezelf voor een groot man te houden als je niet gehinderd wordt door het flauwste besef dat er ooit een Rembrandt, een Beethoven, een Dante of een Napoleon heeft geleefd? Die knaap weet met zijn dichtgemetselde brein maar één ding: dat hij al maanden geen enkele schaakpartij heeft verloren. En omdat hij geen flauw vermoeden heeft dat er op deze aarde behalve schaken en geld nog andere waarden bestaan, heeft hij alle reden om verrukt van zichzelf te zijn.’

Deze verhalen van mijn vriend wekten mijn bijzondere nieuwsgierigheid. Allerlei soorten monomanen, mensen die volkomen bezeten zijn van één enkele gedachte, hebben mij mijn hele leven gefascineerd. Want hoe meer iemand zich beperkt, des te dichter komt hij in een ander opzicht bij het oneindige. Juist zulke mensen, die ogenschijnlijk buiten de wereld staan, bouwen als termieten op hun eigen terrein een merkwaardige, volstrekt unieke wereld in het klein. Ik maakte er dan ook geen geheim van dat ik dit zonderlinge specimen van intellectuele eenzijdigheid tijdens de twaalfdaagse overtocht naar Rio eens nader onder de loep wilde nemen.

‘Daar zult u weinig succes mee hebben,’ waarschuwde mijn vriend. ‘Voor zover ik weet, is het nog niemand gelukt ook maar iets aan psychologisch materiaal uit Czentovic los te krijgen. Bij al zijn bodemloze bekrompenheid is die sluwe boer verstandig genoeg om zich nooit bloot te geven. Daarvoor gebruikt hij een eenvoudige methode: hij vermijdt ieder gesprek, behalve met landgenoten uit zijn eigen milieu, die hij in kleine herbergen opzoekt. Zodra hij merkt dat hij met een ontwikkeld mens te maken heeft, kruipt hij in zijn schulp. Zo kan niemand beweren ooit een dom woord uit zijn mond te hebben gehoord of de naar verluidt onmetelijke diepte van zijn onwetendheid te hebben gepeild.’ Mijn vriend zou inderdaad gelijk krijgen. Gedurende de eerste dagen van de reis bleek het volstrekt onmogelijk Czentovic te benaderen zonder me op een onbeschaamd opdringerige manier aan hem op te dringen, iets wat nu eenmaal niet in mijn aard ligt. Soms liep hij wel over het promenadedek, maar dan altijd met zijn handen op de rug gevouwen, in die trotse, in zichzelf verzonken houding waarin Napoleon op het bekende schilderij is afgebeeld. Bovendien legde hij zijn wandelrondjes over het dek altijd zo gehaast en met zulke schokkerige passen af dat je hem op een drafje had moeten volgen om hem te kunnen aanspreken. In de salons, de bar en de rookkamer liet hij zich daarentegen nooit zien. Toen ik er discreet naar informeerde, vertelde de steward me dat hij het grootste deel van de dag in zijn hut doorbracht om op een enorm schaakbord partijen in te studeren of nog eens na te spelen.

Na drie dagen begon het me werkelijk te ergeren dat zijn hardnekkige verdedigingstactiek het won van mijn vastbeslotenheid hem te benaderen. Ik had in mijn hele leven nog nooit de gelegenheid gehad persoonlijk kennis te maken met een schaakmeester, en hoe meer ik me nu probeerde voor te stellen wat voor mens zo iemand moest zijn, des te onvoorstelbaarder leek me een brein dat een heel leven lang uitsluitend om een vlak van vierenzestig zwarte en witte velden draaide. Uit eigen ervaring kende ik natuurlijk de geheimzinnige aantrekkingskracht van het ‘koninklijke spel’, het enige van alle spellen die de mens heeft bedacht dat zich volkomen aan de tirannie van het toeval onttrekt en zijn zegepalmen uitsluitend toekent aan de geest, of liever gezegd aan een bepaalde vorm van geestelijke begaafdheid. Maar is het niet al een beledigende versimpeling om schaken een spel te noemen? Is het niet tegelijk een wetenschap, een kunst, zwevend tussen die twee categorieën als de doodskist van Mohammed tussen hemel en aarde, een unieke vereniging van alle tegenstellingen: oeroud en toch eeuwig nieuw, mechanisch van opzet en toch alleen werkzaam dankzij de verbeelding, begrensd door een starre geometrische ruimte en toch onbegrensd in zijn combinatiemogelijkheden, voortdurend in ontwikkeling en toch onvruchtbaar, een denken dat nergens toe leidt, een wiskunde die niets uitrekent, een kunst zonder kunstwerken, een architectuur zonder materie, en niettemin aantoonbaar duurzamer in zijn bestaan dan alle boeken en kunstwerken? Het enige spel dat alle volken en alle tijden toebehoort en waarvan niemand weet welke god het op aarde heeft gebracht om de verveling te verdrijven, de zintuigen te scherpen en de ziel in spanning te houden. Waar is hier het begin en waar het einde? Ieder kind kan de eerste regels leren, iedere prutser kan zich eraan wagen, en toch is het in staat binnen dat onveranderlijk nauwe vierkant een bijzondere soort meesters voort te brengen, met niemand anders te vergelijken: mensen met een begaafdheid die uitsluitend voor het schaken bestemd is, bijzondere genieën bij wie visie, geduld en techniek in even nauwkeurig bepaalde verhoudingen samenwerken als bij een wiskundige, een dichter of een musicus, alleen anders gerangschikt en met elkaar verbonden. In vroeger tijden, toen men zich zo hartstochtelijk met de gelaatkunde bezighield, zou iemand als Gall misschien de hersenen van zulke schaakmeesters hebben ontleed om vast te stellen of zich bij deze schaakgenieën in de grijze hersenmassa een bijzondere winding, een soort schaakspier of schaakknobbel, sterker aftekende dan in andere schedels. En hoezeer zou zo’n gelaatkundige dan niet gefascineerd zijn geweest door een geval als Czentovic, bij wie dat bijzondere genie in een volstrekte geestelijke traagheid leek te zijn ingebed, als een enkele gouddraad in honderd pond waardeloos gesteente. Ik had altijd wel begrepen dat zo’n uniek, zo geniaal spel zijn eigen bijzondere kampioenen moest voortbrengen. Maar hoe moeilijk, hoe onmogelijk was het toch om je het leven voor te stellen van een mens met een levendige geest voor wie de wereld was teruggebracht tot een smalle eenrichtingsweg tussen zwart en wit, die de triomfen van zijn leven zocht in het loutere heen-en-weer, het voor- en achteruitschuiven van tweeëndertig stukken; een mens voor wie het bij een nieuwe opening al een grootse daad betekende om het paard in plaats van de pion te spelen, en die daarmee zijn armzalige plekje onsterfelijkheid in een hoekje van een schaakboek wist te veroveren; een mens, een denkend mens, die zonder gek te worden tien, twintig, dertig, veertig jaar lang de volle kracht van zijn denkvermogen telkens weer inzette voor dat belachelijke doel: een houten koning op een houten bord in een hoek te drijven!

En nu bevond zo’n fenomeen, zo’n zonderling genie of zo’n raadselachtige dwaas zich voor het eerst vlak bij mij, opnauwelijks zes hutten afstand, aan boord van hetzelfde schip. En ik, ongelukkige, voor wie nieuwsgierigheid naargeestelijke verschijnselen altijd uitgroeit tot een ware hartstocht, zou niet in staat zijn hem te benaderen! Ik begon deongerijmdste listen te verzinnen: ik kon bijvoorbeeld zijn ijdelheid strelen door te doen alsof ik hem voor een belangrijkekrant wilde interviewen, of op zijn hebzucht inspelen door hem een lucratief schaaktoernooi in Schotland voor te stellen.Maar uiteindelijk herinnerde ik me dat de beproefde methode waarmee jagers een auerhaan naar zich toe lokken, erinbestaat zijn baltsroep na te bootsen. Wat kon er eigenlijk doeltreffender zijn om de aandacht van een schaakmeester tetrekken dan zelf te gaan schaken?

Nu ben ik mijn hele leven nooit een serieuze schaker geweest, eenvoudigweg omdat ik me altijd alleen voor mijn plezieren zonder veel ernst met het schaken heb beziggehouden. Als ik een uur achter het bord ga zitten, doe ik dat beslist nietom me in te spannen, maar juist om van geestelijke inspanning te bekomen. Ik ‘speel’ schaak in de ware zin van hetwoord, terwijl de anderen, de echte schakers, het schaakspel ‘ernsten’, om maar eens een gewaagd nieuw werkwoord aande Nederlandse taal toe te voegen. Voor het schaken is, net als voor de liefde, een partner onmisbaar, en op dat momentwist ik nog niet of zich behalve wijzelf andere schaakliefhebbers aan boord bevonden. Om hen uit hun holen te lokken,zette ik in de rookkamer een eenvoudige val op: ik ging met mijn vrouw, die nog slechter schaakt dan ik, als eenvogelvanger achter een schaakbord zitten. En inderdaad, we hadden nog geen zes zetten gedaan of er bleef al iemand inhet voorbijgaan staan. Een tweede vroeg of hij mocht toekijken, en ten slotte meldde zich ook de gehoopte tegenstander,die mij tot een partij uitdaagde. Hij heette McConnor en was een Schotse civiel ingenieur die, naar ik hoorde, metolieboringen in Californië een groot vermogen had vergaard. Het was een stevig gebouwde man met zware, bijna vierkantuitgehouwen kaken, sterke tanden en een volle, gezonde gelaatskleur, waarvan de opvallende roodheid waarschijnlijk,althans gedeeltelijk, te danken was aan een royale whiskyconsumptie. Zijn opvallend brede, haast overdreven atletischeschouders bleken helaas ook iets over zijn karakter als schaker te verraden, want deze meneer McConnor behoorde tot hetsoort zelfingenomen succesmensen voor wie zelfs een nederlaag in het onbeduidendste spel al een aantasting van huneigenwaarde betekent. Gewend om in het leven zonder enig ontzag voor anderen zijn zin door te drijven en verwend doorzijn daadwerkelijke successen, was deze zwaargebouwde selfmade man zo onwankelbaar overtuigd van zijn eigensuperioriteit dat iedere vorm van tegenstand hem woedend maakte, alsof het een ongeoorloofde opstand en bijna eenpersoonlijke belediging was. Toen hij de eerste partij verloor, werd hij nors en begon hij uitvoerig en op bevelende toonuit te leggen dat dit uitsluitend door een ogenblik van onoplettendheid kon zijn gekomen. Bij de derde partij gaf hij hetlawaai in de aangrenzende ruimte de schuld van zijn falen. Nooit was hij bereid een partij te verliezen zonderonmiddellijk revanche te eisen. Aanvankelijk amuseerde die eerzuchtige verbetenheid me, maar uiteindelijk nam ik haarslechts op de koop toe als een onvermijdelijk bijkomend ongemak bij mijn eigenlijke voornemen: de wereldkampioennaar onze tafel lokken.

Op de derde dag lukte dat, maar toch slechts ten dele. Of Czentovic ons nu vanaf het promenadedek door eenscheepsraam had zien schaken, of dat hij de rookkamer louter bij toeval met zijn aanwezigheid vereerde, in ieder gevalkwam hij, zodra hij zag hoe wij als oningewijden zijn kunst beoefenden, onwillekeurig een stap dichterbij en wierp vanafdie afgemeten afstand een onderzoekende blik op ons bord. McConnor was juist aan zet. En die ene zet leek al voldoendeom Czentovic duidelijk te maken hoe weinig onze amateuristische pogingen het waard waren om zijn belangstelling alsmeester nog langer vast te houden. Met dezelfde vanzelfsprekende achteloosheid waarmee iemand in een boekwinkel eenslechte detectiveroman die hem wordt aangereikt weer weglegt zonder er zelfs maar in te bladeren, keerde hij zich vanonze tafel af en verliet de rookkamer. ‘Gewogen en te licht bevonden,’ dacht ik, enigszins geërgerd door die koele,minachtende blik. Om mijn ergernis op de een of andere manier te luchten, zei ik tegen McConnor:

‘Uw zet lijkt de meester niet bepaald enthousiast te hebben gemaakt.’

‘Welke meester?’

Ik legde hem uit dat de heer die zojuist langs ons was gelopen en met een afkeurende blik naar ons spel had gekeken, schaakmeester Czentovic was. Ach, voegde ik eraan toe, wij zouden het wel overleven en ons zonder hartzeer bij zijn verheven minachting neerleggen; arme mensen moesten nu eenmaal met water koken. Maar tot mijn verbazing had mijn terloopse mededeling een volkomen onverwachte uitwerking op McConnor. Hij raakte onmiddellijk opgewonden, vergat onze partij en zijn eerzucht begon haast hoorbaar te bonzen. Hij had er geen idee van gehad dat Czentovic aan boord was, en Czentovic moest beslist tegen hem spelen. Hij had nog nooit van zijn leven tegen een wereldkampioen gespeeld, behalve één keer tijdens een simultaanpartij met veertig andere spelers. Dat was al verschrikkelijk spannend geweest en hij had toen bijna gewonnen. Kende ik de schaakmeester persoonlijk? Ik zei van niet. Wilde ik hem dan niet aanspreken en vragen bij ons te komen? Ik wees dat verzoek af, omdat Czentovic, voor zover ik wist, niet erg openstond voor nieuwe kennissen. Bovendien, wat voor genoegen kon een wereldkampioen eraan beleven zich met derderangsspelers als wij in te laten?

Die opmerking over derderangsspelers had ik tegenover zo’n eerzuchtige man als McConnor beter voor me kunnen houden. Hij leunde geërgerd achterover en verklaarde op scherpe toon dat hij zich in elk geval niet kon voorstellen dat Czentovic de beleefde uitnodiging van een gentleman zou afslaan. Daar zou hij persoonlijk wel voor zorgen. Op zijn verzoek gaf ik hem een korte beschrijving van het uiterlijk van de wereldkampioen, en meteen stormde hij, zonder zich nog om ons schaakbord te bekommeren, met onbedwingbaar ongeduld achter Czentovic aan het promenadedek op. Opnieuw besefte ik dat een man met zulke brede schouders zich niet liet tegenhouden zodra hij eenmaal zijn zinnen ergens op had gezet.

Ik wachtte tamelijk gespannen af. Na tien minuten kwam McConnor terug, niet bepaald opgewekt, zo leek het mij.

‘En?’ vroeg ik.

‘U had gelijk,’ antwoordde hij enigszins geërgerd. ‘Geen bijzonder aangename heer. Ik stelde me voor en vertelde hem wie ik was. Hij gaf me niet eens een hand. Ik probeerde hem uit te leggen hoe trots en vereerd we allemaal aan boord zouden zijn als hij een simultaanpartij tegen ons wilde spelen. Maar hij stelde zich verdomd stug op. Het speet hem, zei hij, maar hij had contractuele verplichtingen tegenover zijn impresario, die hem uitdrukkelijk verboden tijdens zijn hele tournee zonder honorarium te spelen. Zijn minimumtarief was tweehonderdvijftig dollar per partij.’

Ik schoot in de lach. ‘Het was nooit bij me opgekomen dat het heen en weer schuiven van schaakstukken over zwarte en witte velden zo’n winstgevende bezigheid kon zijn. Maar goed, ik hoop dat u even beleefd afscheid van hem hebt genomen.’

Maar McConnor bleef doodernstig. ‘De partij is vastgesteld op morgenmiddag drie uur. Hier in de rookkamer. Ik hoop dat we ons niet al te gemakkelijk tot moes laten slaan.’

‘Wat? Hebt u hem die tweehonderdvijftig dollar toegezegd?’ riep ik verbijsterd uit.

‘Waarom niet? C’est son métier. Als ik hier aan boord tandarts was, zou ik toch ook niet verlangen dat hij me gratis een tand trok. Die man heeft groot gelijk dat hij hoge prijzen vraagt. In elk vak zijn de echte meesters ook de beste zakenlieden. En wat mij betreft: hoe duidelijker de zakelijke afspraak, hoe beter. Ik betaal liever contant dan dat ik me door een meneer Czentovic een gunst laat bewijzen en hem uiteindelijk ook nog moet bedanken. Per slot van rekening heb ik in onze club op één avond weleens meer dan tweehonderdvijftig dollar verloren, zonder dat ik daarbij tegen een wereldkampioen speelde. Voor “derderangsspelers” is het geen schande om door iemand als Czentovic te worden ingemaakt.’

Het amuseerde me te merken hoe diep ik McConnor in zijn trots had gekrenkt met dat ene onschuldige woord ‘derderangsspeler’. Maar aangezien hij bereid was voor dit dure grapje te betalen, had ik niets in te brengen tegen zijn misplaatste eerzucht, die mij eindelijk de gelegenheid zou bieden kennis te maken met mijn merkwaardige studieobject. We brachten haastig de vier of vijf heren die zich tot dan toe als schakers hadden bekendgemaakt op de hoogte van de komende gebeurtenis. Om zo min mogelijk gestoord te worden door voorbijlopende passagiers, lieten we niet alleen onze eigen tafel, maar ook de aangrenzende tafels alvast voor de wedstrijd reserveren.

De volgende dag was ons kleine gezelschap op het afgesproken uur voltallig aanwezig. De middelste plaats tegenover de meester was vanzelfsprekend voor McConnor bestemd. Hij reageerde zijn zenuwachtigheid af door de ene zware sigaar na de andere op te steken en telkens onrustig op zijn horloge te kijken. Maar de wereldkampioen liet ons, zoals ik na de verhalen van mijn vriend al enigszins had vermoed, ruim tien minuten wachten, waardoor zijn verschijning des te indrukwekkender werd. Hij kwam rustig en zelfverzekerd naar onze tafel lopen. Zonder zich voor te stellen — ‘Jullie weten wie ik ben; wie jullie zijn, interesseert me niet’, leek deze onbeleefdheid te zeggen — begon hij met de droge zakelijkheid van een vakman de praktische afspraken uiteen te zetten. Omdat er aan boord niet genoeg schaakborden beschikbaar waren voor een simultaanpartij, stelde hij voor dat we allemaal gezamenlijk tegen hem zouden spelen. Na iedere zet zou hij zich naar een andere tafel aan het uiteinde van de zaal begeven, zodat hij ons overleg niet zou storen. Zodra wij onze tegenzet hadden gedaan, moesten we met een lepel tegen een glas tikken, aangezien er helaas geen tafelbel voorhanden was. Als maximale bedenktijd per zet stelde hij tien minuten voor, tenzij wij liever een andere regeling wilden. Vanzelfsprekend stemden we als verlegen schooljongens met al zijn voorstellen in. Bij de verdeling van de kleuren viel zwart aan Czentovic toe. Nog terwijl hij stond, deed hij zijn eerste tegenzet en liep vervolgens meteen naar de wachtplaats die hij zelf had voorgesteld, waar hij nonchalant achterovergeleund in een geïllustreerd tijdschrift bladerde.

Abonneer je gratis om verder te lezen

Vul je e-mailadres in en ontvang elke Post van Diderot
Heb je al een account? Inloggen
© 2026 Wilma Baltus. Alle rechten voorbehouden. · Privacy ∙ Voorwaarden ∙ Incassomelding
Begin je SubstackDownload de App
Substack is de plek voor geweldige cultuur