Pijpelijntjes van Jacob Israël de Haan: liefde en macht in De Pijp
Een vroege queer roman over verlangen, afhankelijkheid en het onrustige stadsleven van Amsterdam rond 1900.
Het regent wanneer Pijpelijntjes begint. Joop loopt door De Pijp op zoek naar nieuwe kamers; Sam blijft thuis, moe en prikkelbaar. Joop vergelijkt huren en probeert hun gezamenlijke bestaan bij elkaar te houden. Wanneer hij terugkomt en om een zoen vraagt, krijgt hij een klap. In die korte beweging — de een zorgt, de ander trekt aan en stoot af — ligt al veel van de roman besloten.
Pijpelijntjes verscheen in 1904, toen Jacob Israël de Haan tweeëntwintig was. Het geldt als een van de vroegste Nederlandse romans waarin een liefdes- en seksuele relatie tussen mannen openlijk centraal staat. Alleen als historisch curiosum lezen zou het boek echter tekortdoen. De werkelijke kracht ervan ligt niet uitsluitend in wat De Haan durfde te beschrijven, maar in de vorm die hij voor dat leven vond: fragmentarisch, zintuiglijk en opvallend weinig uitleg.
Een roman tussen woordkunst en straatleven
De Haan schreef toen de erfenis van de Tachtigers nog sterk voelbaar was. Hun nadruk op de persoonlijke waarneming klinkt door in zijn samengestelde woorden, verschoven zinsbouw en nerveuze registratie van licht, regen, geluid en stemming. Tegelijk kijkt Pijpelijntjes met de aandacht van het naturalisme naar armoede, behuizing, lichamelijkheid en sociale afhankelijkheid. Verlangen bestaat er naast rioollucht, slappe thee, huurkwesties, gevangenisbezoek en een kip die maar niet wil sterven.
De vierentwintig hoofdstukken lijken eerder schetsen dan stappen in een strak geordend verhaal. De verhouding tussen Joop en Sam vormt de doorgaande lijn, maar voortdurend dringt de buurt zich ertussen. Hospita juffrouw Meks, haar kennissen, huurders, straatjongens, kleine criminelen en mensen die tijdelijk onderdak zoeken, krijgen hun eigen scènes en stemmen. Daardoor wordt De Pijp geen decor, maar een sociaal organisme. Achter elke kamerdeur blijkt een ander, meestal precair leven te bestaan.
Die vorm maakt Pijpelijntjes moderner dan zijn ouderwetse spelling soms doet vermoeden. Er is geen samenvattende verteller die uitlegt wat een personage ‘werkelijk’ voelt of welke les uit een voorval moet worden getrokken. Veel blijft in gebaren, dialogen en abrupte stemmingswisselingen hangen. De zinnen lijken geregeld half gedacht en half gehoord. Wie aan De Haans ritme gewend raakt, merkt hoe precies die beweeglijke taal de instabiliteit van het beschreven leven volgt.
De affaire rond het boek
De verschijning van Pijpelijntjes werd vrijwel meteen een publieke kwestie. De eerste druk was opgedragen aan de arts en seksuoloog Arnold Aletrino, die zichzelf in Sam meende te herkennen. Een groot deel van de oplage werd opgekocht en vernietigd. Nog in hetzelfde jaar verscheen een ingrijpend herschreven versie, met andere namen en minder herkenbare bijzonderheden, maar zonder dat de homoseksuele kern werd weggewerkt. De Haan verloor door de affaire journalistiek werk en onderwijsbetrekkingen.
Die geschiedenis verklaart waarom het boek lang vooral als schandaalroman is behandeld. Toch draaide de rel om een vraag die ook nu niet verdwenen is: van wie is een gedeeld leven zodra een schrijver er literatuur van maakt? De Haan gebruikte herkenbaar materiaal, Aletrino ervoer dat als een aantasting van zijn persoon en de buitenwereld las roman en biografie gretig over elkaar heen. In een tijd van autofictie en publieke zelfonthulling voelt die botsing onverwacht nabij.
Liefde zonder voorbeeldfunctie
Joop vertelt het verhaal en is emotioneel het meest toegankelijk. Hij verlangt naar nabijheid, vreest Sams afwezigheid en neemt veel van het dagelijkse zorgen op zich. Zijn liefde is volhardend, maar ook afhankelijk: hij cijfert zichzelf weg en verdraagt vernedering en geweld omdat verlies hem nog ondraaglijker lijkt. De Haan maakt van hem evenwel geen zuiver slachtoffer. Joops belangstelling voor minderjarige, sociaal kwetsbare jongens en de rol van geld en onderdak daarin zijn voor een huidige lezer terecht verontrustend. Zijn gekwetstheid maakt hem niet onschuldig.
Sam is evenmin eenvoudig tot dader te reduceren. Hij studeert medicijnen, kan geestig en teder zijn, maar oefent ook fysieke en emotionele macht over Joop uit. Zijn gewelddadigheid wordt niet verontschuldigd en evenmin door een verteller psychologisch opgelost. Dat gebrek aan verklaring is ongemakkelijk: de lezer moet zelf beoordelen wat liefde nog betekent wanneer zorg, begeerte, angst en mishandeling verstrengeld raken.
Wanneer Sam een verhouding met Tonia begint, verschijnt zij niet alleen als rivale. Voor hem vertegenwoordigt zij ook een maatschappelijk herkenbare toekomst: huwelijk, een eigen huishouden, mogelijk kinderen, een leven dat zonder omwegen aan anderen kan worden uitgelegd. Joop en Sam beschikken over intimiteit, maar nauwelijks over een publiek model waarin die intimiteit duurzaam kan worden ondergebracht. Hun kamers vormen een thuis zolang de omstandigheden en hun stemmingen het toelaten; zekerheid bieden ze niet.
Tonia blijft gedeeltelijk ondoorgrondelijk. Zij komt uit een kwetsbare omgeving en wordt zowel begeerd als gewantrouwd. Dat Joop haar in huis toelaat, maakt de driehoek niet alleen pijnlijk maar ook sociaal veelzeggend. De personages improviseren onder één dak vormen van zorg en samenleven waarvoor hun omgeving geen heldere taal heeft.
Juffrouw Meks vervult daarbij een belangrijke rol. Haar wereld wordt bepaald door huur, eten, roddel, bezoek en een echtgenoot in de gevangenis. Ze kijkt minder ideologisch dan praktisch naar Joop en Sam. Ze zijn ‘vreemd’, maar ook huurders, huisgenoten en mensen aan wie ze zich hecht. In haar rommelige huishouden ontstaat een voorlopige gemeenschap van figuren buiten de keurige burgerlijke orde. Die gemeenschap is niet idyllisch, maar ze biedt soms meer ruimte dan de officiële moraal.
De weigering om keurige personages te leveren
Een van de opmerkelijkste eigenschappen van Pijpelijntjes is dat het geen pleidooiroman wil zijn. De Haan presenteert homoseksueel verlangen zonder het eerst moreel aanvaardbaar te maken, maar idealiseert zijn personages evenmin. Dat leverde hem destijds ook kritiek op van lezers die een gunstiger beeld van homoseksuele mannen hadden gewenst. De roman weigert de minderheidsfiguur als voorbeeldburger op te voeren.
Die weigering is nog steeds relevant. Ook hedendaagse discussies over representatie lopen soms vast in de verwachting dat personages uit gemarginaliseerde groepen sympathiek, gezond of politiek bruikbaar moeten zijn. Pijpelijntjes stelt een lastiger mogelijkheid voor: zichtbaarheid kan samengaan met morele dubbelzinnigheid. Joop en Sam hoeven niet bewonderenswaardig te zijn om als geliefden serieus genomen te worden. Andersom mag hun liefde niet dienen om geweld, manipulatie of ongelijke macht te vergoelijken.
Daarmee vraagt het boek om twee vormen van aandacht tegelijk. Historische afstand is nodig om te begrijpen hoe uitzonderlijk open De Haan in 1904 schreef en hoe weinig maatschappelijke bescherming zijn personages konden verwachten. Morele aandacht is nodig om niet alles wat toen anders lag te romantiseren. Vooral de passages over zeer jonge jongens en lichamelijk geweld laten zich niet gladstrijken met een beroep op literaire moed. Dat ze schuren, behoort tot de leeservaring.
Waarom Pijpelijntjes nog steeds aanspreekt
Pijpelijntjes is waardevol als vroege queer literatuur, maar ook als stadsroman en onderzoek naar afhankelijkheid. Het laat zien hoe huisvesting, geld, status en gebrek aan privacy bepalen welke relaties mogelijk zijn. Het toont bovendien dat een liefde tegelijk echt en schadelijk kan zijn, zonder dat het ene inzicht het andere opheft. De Haan schrijft niet naar een bevrijdende conclusie toe; hij registreert hoe mensen binnen beperkte omstandigheden naar nabijheid zoeken en elkaar daarbij soms beschadigen.
Wie De Pijp vooral uit het heden kent, ontmoet hier een oudere laag van de wijk: natte straten, goedkope kamers, dunne muren en huishoudens waarin voortdurend anderen binnenkomen. De buurt leeft in stemmen. De dialogen bewegen snel, de neologismen remmen soms af, en uit die afwisseling ontstaat een eigen tempo.
Het boek hoeft niet uit plichtsbesef te worden gelezen. Het biedt iets interessanters: toegang tot een Nederlandse roman die de geschiedenis van verlangen, de ethiek van autobiografisch schrijven en het dagelijkse leven van een stad in één onrustige vorm samenbrengt. Een uitgave van Pijpelijntjes in de boekenkast heeft bovendien een stille historische ironie. Wat ooit uit de handel moest verdwijnen, kan nu rustig worden tentoongesteld.


