Goethe: het universele genie dat de wereld veranderde
Hoe Johann Wolfgang von Goethe als dichter, denker en wetenschapper de westerse cultuur voorgoed vormgaf
Een genie wordt geboren in Frankfurt
Op 28 augustus 1749 komt in Frankfurt am Main een jongen ter wereld die het culturele landschap van Europa voorgoed zal veranderen. Johann Wolfgang Goethe – het adellijke voorvoegsel ‘von’ krijgt hij pas in 1782 – groeit op in een welgesteld burgergezin. Zijn vader, Johann Caspar Goethe, is een vermogend jurist en keizerlijk raadsheer die leeft van een geërfd fortuin. Zijn moeder, Catharina Elisabeth Textor, is de dochter van Frankfurts hoogste bestuurder. Het is een milieu waarin intellectuele nieuwsgierigheid wordt aangemoedigd en culturele vorming vanzelfsprekend is.
Samen met zijn zus Cornelia – het enige andere kind dat de volwassen leeftijd bereikt – geniet de jonge Johann Wolfgang een opmerkelijk veelzijdige privéopleiding. Privéleraren onderrichten hem in Latijn, Grieks, Frans, Italiaans, Engels, maar ook in tekenen, schermen, paardrijden en muziek. Al vroeg verschijnt de kiem van zijn latere veelzijdigheid: hij leest Homerus en Ovidius, kent hele passages uit het hoofd en voelt een diepe fascinatie voor taal en verbeelding. Dit is geen gewone jongen. Dit is een geest die honger heeft naar alles wat de wereld te bieden heeft.
Sturm und Drang: de jonge rebel
In 1765 vertrekt de zestienjarige Goethe naar Leipzig om rechten te studeren, conform de wensen van zijn vader. Maar het academische leven kan de onrustige jongeman niet boeien. In plaats van juridische handboeken verslindt hij poëzie, bezoekt hij tekenlessen bij Adam Friedrich Oeser en schrijft hij zijn eerste liefdesgedichten, geïnspireerd door de charmante Anna Katharina Schönkopf. Een ernstige ziekte dwingt hem in 1768 terug naar Frankfurt, waar hij zich tijdelijk verdiept in alchemie en occulte filosofie – een episode die later zijn Faust zal voeden.
Na zijn herstel vervolgt hij zijn studie in Straatsburg, waar een beslissende ontmoeting plaatsvindt. De theoloog en filosoof Johann Gottfried Herder, onofficieel leider van de Sturm und Drang-beweging, introduceert hem bij Shakespeare, Homerus en Ossian. Het effect is een literaire openbaring. Shakespeare wordt, in Goethes eigen woorden, verantwoordelijk voor zijn ‘persoonlijk ontwaken’. Geïnspireerd door deze nieuwe werelden en door zijn liefde voor het predikantendochtertje Friederike Brion schrijft hij een reeks liederen die tot de mooiste van de Duitse taal behoren.
In 1772 vestigt Goethe zich als advocaat in Wetzlar, maar zijn juridische carrière is van korte duur. Zijn gebrek aan ervaring leidt tot reprimandes en verlies van cliënten. Maar wat juridisch mislukt, wordt literair goud. Binnen enkele weken herschrijft hij de biografie van een adellijke struikrover uit de Duitse Boerenoorlog tot het kleurrijke toneelstuk Götz von Berlichingen. Het stuk slaat in als een bom en wordt een manifest van de Sturm und Drang-beweging, die emotionele expressie en individuele vrijheid verheft boven classicistische regels.
Die Leiden des jungen Werthers: een Europese sensatie
In 1774 publiceert de vijfentwintigjarige Goethe de roman die hem in één klap beroemd maakt: Die Leiden des jungen Werthers. Het boek, gedeeltelijk gebaseerd op zijn eigen onbeantwoorde liefde voor Charlotte Buff en op de zelfmoord van zijn vriend Karl Wilhelm Jerusalem, vertelt het verhaal van een gevoelige jongeman die zichzelf van het leven berooft uit onmogelijke liefde. Het effect is ongekend: een pan-Europese bestseller die het fenomeen ‘Werther-koorts’ ontketent. Jonge mannen kleden zich als de tragische held, in blauw jasje en gele broek.
Napoleon Bonaparte zal het later een van de grootste werken van de Europese literatuur noemen en beweerde het zeven keer te hebben gelezen. Maar Goethe zelf groeit het boek al snel boven het hoofd. In latere jaren spreekt hij er zelfs met enige afkeer over en keert zich af van de romantische stroming die het heeft helpen ontvlammen. Toch is de invloed onmiskenbaar: Werther luidt een nieuw tijdperk in waarin het innerlijk leven van het individu onderwerp wordt van grote kunst.
Weimar: de dichter wordt staatsman
Het succes van Werther brengt een uitnodiging die Goethes leven voorgoed verandert. In november 1775 arriveert hij aan het hof van hertog Karl August van Saksen-Weimar-Eisenach, een verlichte vorst die een bloeiend intellectueel centrum om zich heen verzamelt. Wat bedoeld is als een kort verblijf, wordt een levenslange verbintenis: Goethe zal bijna zestig jaar in Weimar wonen en werken, tot aan zijn dood in 1832.
De eerste tien jaar wijdt hij zich grotendeels aan bestuurlijke taken. Als geheim raadsheer en later minister bekleedt hij verantwoordelijke posities op het gebied van financiën, landbouw, mijnbouw en wegenonderhoud. Hij toont verrassend veel bestuurlijk talent en verdient het respect van zelfs degenen die aanvankelijk zijn aanwezigheid aan het hof wantrouwen. Zijn vriendschap met de hertog is hecht maar gekenmerkt door wederzijds respect; Goethe laat zich niet domineren.
Tegelijkertijd ontstaat in deze periode een intense, veelbesproken relatie met Charlotte von Stein, de echtgenote van een hofdienaar. De verhouding, waarvan niet zeker is of zij fysiek werd geconsumeerd, resulteert in een van de rijkste briefwisselingen uit de Duitse literatuurgeschiedenis – meer dan 1.700 brieven en biljetten schreef Goethe aan haar. Charlotte vormt zijn smaak, verfijnt zijn manieren en inspireert sommige van zijn mooiste werken.
De Italiaanse reis: wedergeboorte in het zuiden
In september 1786 neemt Goethe een besluit dat zijn omgeving verbijstert: zonder afscheid te nemen ontvlucht hij Weimar en reist onder het pseudoniem Johann Philipp Möller naar Italië. Na tien jaar plichtsgetrouwe overheidsdienst voelt hij zich creatief verstikt en zoekt hij vernieuwing. De twee jaar die volgen worden wat hij zelf zijn ‘wedergeboorte’ noemt.
In Rome, Napels, Sicilië en Venetië onderdompelt hij zich in de klassieke kunst en architectuur van de Oudheid en de Renaissance. Hij tekent, schildert en overweegt serieus om beeldend kunstenaar te worden. Maar het belangrijkste effect is literair: de classicistische esthetiek die hij in Italië absorbeert, verandert zijn schrijfstijl fundamenteel. De stormachtige Sturm und Drang maakt plaats voor een gebalanceerder, vormelijker classicisme. De Italiaanse reis resulteert onder meer in de Romeinse elegieën, een sensuele gedichtencyclus die tot het hoogtepunt van de Duitse poëzie wordt gerekend.
Goethes Italiaanse reis zou ook zijn wetenschappelijke nieuwsgierigheid aanwakkeren. De mediterrane flora inspireert hem tot zijn botanische theorieën over de ‘oerplant’, en gesprekken met Italiaanse kunstenaars over kleurgebruik zaaien het zaad voor zijn latere kleurenleer.
Goethe en Schiller: een literaire alliantie voor de eeuwigheid
Na zijn terugkeer uit Italië trekt Goethe zich grotendeels terug uit het bestuur en concentreert hij zich op wetenschap en literatuur. De hertog blijft hem al zijn emolumenten betalen, waardoor hij de financiële zekerheid geniet die zijn werk vereist. In deze periode begint ook zijn relatie met Christiane Vulpius, een vrouw van eenvoudige afkomst met wie hij in 1789 een zoon krijgt, August. Het ongehuwd samenleven met een vrouw uit een lagere stand is schandalig voor die tijd; pas in 1806, na de plundering van Weimar door Napoleons troepen, trouwt hij officieel met haar.
De beslissende literaire alliantie van Goethes leven begint in 1794, wanneer hij een hechte vriendschap ontwikkelt met Friedrich Schiller. Hoewel hun eerste ontmoeting in 1788 geen vonk deed overspringen, groeit er een samenwerking die door literatuurhistorici als ongeëvenaard wordt beschouwd. Samen transformeren zij het Hoftheater van Weimar tot een nationaal cultureel instituut, wisselen zij ideeën uit over esthetica en filosofie, en stimuleren zij elkaars productiviteit op een manier die de kern van de Duitse literatuur vormt.
De periode rond 1800, waarin ook denkers als Herder, Fichte en de gebroeders Humboldt in Weimar actief zijn, staat bekend als het Weimarer Classicisme – een van de meest vruchtbare culturele episodes in de Europese geschiedenis. Schillers vroege dood in 1805 is een slag waarvan Goethe zich nauwelijks herstelt. Hij verliest niet alleen een vriend, maar een creatieve sparringpartner die hem tot het uiterste dreef.
Faust: het levenswerk van zestig jaar
Geen werk illustreert Goethes ambities beter dan Faust, het dramatische gedicht waaraan hij ruim zestig jaar werkte. De eerste schetsen, bekend als de Urfaust, ontstaan rond 1772-1775. Een fragment verschijnt in 1790, Deel I wordt gepubliceerd in 1808, en Deel II voltooit hij kort voor zijn dood in 1831. Het verschijnt postuum in 1832.
Het verhaal volgt de geleerde doctor Faust, die gefrustreerd raakt door de grenzen van menselijke kennis en een pact sluit met de duivel Mefistofeles. In ruil voor zijn ziel krijgt Faust toegang tot alle aardse genoegens en ervaringen. Maar waar eerdere versies van de Faust-legende – zoals die van Christopher Marlowe – eindigen met verdoemenis, kiest Goethe een radicaal andere afloop: Fausts onophoudelijke streven en de voorbede van de liefhebbende Gretchen leiden uiteindelijk tot zijn verlossing.
Dit is geen eenvoudig toneelstuk. Faust omvat vrijwel elk bekend poëtisch metrum, van doggerel tot terza rima, en beweegt zich door stijlen die reiken van Griekse tragedie via middeleeuws mysteriespel en barokke allegorie tot iets wat lijkt op een modern revue. Deel I speelt zich af in de ‘kleine wereld’ van Fausts directe omgeving; Deel II expandeert naar de ‘grote wereld’ van politiek, geschiedenis, mythologie en filosofie.
De invloed van Faust op de westerse cultuur is nauwelijks te overschatten. Het werk wordt algemeen beschouwd als het belangrijkste literaire werk in de Duitse taal en als een van de hoogtepunten van de wereldliteratuur. Het heeft talloze componisten geïnspireerd – van Schubert, Berlioz en Gounod tot Wagner en Mahler – en schrijvers als Thomas Mann en Michail Boelgakov. Het bijvoeglijk naamwoord ‘faustisch’ is een blijvend onderdeel geworden van het westerse vocabulaire, als aanduiding voor het opofferen van morele waarden in ruil voor kennis of macht.
De wetenschapper: van oerplant tot kleurenleer
Wat Goethe onderscheidt van vrijwel alle andere grote schrijvers is de ernst waarmee hij wetenschap bedreef. Zijn wetenschappelijke geschriften beslaan veertien delen en bestrijken botanica, anatomie, geologie, mineralogie en optica. In 1784 deed hij een opmerkelijke ontdekking: hij identificeerde het tussenkaakbeen (os intermaxillare) bij de mens, een bot dat tot dan toe alleen bij dieren was aangetoond. Deze vondst ondersteunde het idee van een fundamentele verwantschap tussen mensen en andere zoogdieren, decennia voordat Darwin zijn evolutietheorie zou formuleren.
In de botanica ontwikkelde Goethe het concept van de Urpflanze, de oerplant: het idee dat alle plantenvormen variaties zijn op één fundamenteel archetype. Zijn Versuch die Metamorphose der Pflanzen zu erklären uit 1790 stelde dat alle plantenorganen – van zaadlob tot bloem – transformaties zijn van het blad. Hoewel de specifieke theorie achterhaald is, anticipeerde zijn morfologische denken op latere ontwikkelingen in de vergelijkende biologie.
Maar het is de kleurenleer die Goethe zelf als zijn belangrijkste bijdrage beschouwde. Zijn Zur Farbenlehre, gepubliceerd in 1810, is een werk van meer dan vierhonderd pagina’s waarin hij frontaal de strijd aangaat met Isaac Newton. Waar Newton kleur beschouwde als een eigenschap van licht dat door een prisma wordt gebroken, benaderde Goethe kleur vanuit de menselijke waarneming: hoe ervaren wij kleur, en welke psychologische en estetische wetten liggen daaraan ten grondslag?
Goethes directe kritiek op Newtons optica is door de natuurkunde verworpen, en tijdens zijn leven vond hij onder fysici nauwelijks medestanders. Maar zijn fenomenologische benadering – de nadruk op subjectieve waarneming, nabeelden, gekleurde schaduwen en complementaire kleuren – anticipeerde op de zogenoemde tegenkleuren-theorie van Ewald Hering, die vandaag de dag een van de pijlers is van ons begrip van kleurwaarneming. Bovendien heeft zijn kleurenleer een blijvende invloed gehad op de beeldende kunst: schilders als Philipp Otto Runge, J.M.W. Turner, de pre-raffaëlieten en Wassily Kandinsky lieten zich erdoor inspireren. Filosofen als Schopenhauer, Wittgenstein en Heisenberg hebben zich er serieus mee beziggehouden.
De laatste jaren: een monument dat leeft
In de laatste decennia van zijn leven is Goethe een levend monument. Bezoekers uit heel Europa maken de pelgrimage naar Weimar om de grote man te ontmoeten. Zijn gesprekken met zijn secretaris Johann Peter Eckermann, gepubliceerd als Gespräche mit Goethe in 1836, vormen een van de rijkste bronnen voor het begrijpen van zijn denkwereld en zijn tijdperk.
Zelfs op hoge leeftijd blijft zijn nieuwsgierigheid onstilbaar. Op drieenzeventigjarige leeftijd, tijdens een bezoek aan het kuuroord Marienbad, wordt hij verliefd op de negentienjarige Ulrike von Levetzow. Wanneer zij zijn huwelijksaanzoek afwijst, schrijft hij de Marienbader Elegie, een van zijn meest persoonlijke en hartverscheurende gedichten. Het is typerend voor Goethe: zelfs in de herfst van zijn leven transformeert hij persoonlijk leed in grote kunst.
Op 22 maart 1832 sterft Johann Wolfgang von Goethe in Weimar, drieentachtig jaar oud. Zijn laatste woorden, zo wil de overlevering, luiden: ‘Mehr Licht!’ – meer licht. Of hij nu letterlijk om het openen van de luiken vroeg of metaforisch sprak over het verlangen naar verlichting, het zijn woorden die perfect passen bij een leven gewijd aan het zoeken naar kennis, schoonheid en waarheid.
Goethe wordt bijgezet in de Fürstengruft op het Historische Kerkhof van Weimar, zij aan zij met zijn vriend Schiller. Het is een symbolische rustplaats: twee geesten die samen het hart van de Duitse literatuur vormen, verenigd in de dood zoals zij het in het leven waren.
De positie die Goethe inneemt in de Duitstalige cultuur is vergelijkbaar met die van Shakespeare in de Engelstalige wereld – met het verschil dat Goethe zich ook als wetenschapper, filosoof en staatsman manifesteerde. Zijn werk bestrijkt een adembenemend spectrum: van lyrische poëzie en briefromans tot epische drama’s en wetenschappelijke verhandelingen. De filosoof Arthur Schopenhauer noemde Wilhelm Meisters Lehrjahre een van de vier grootste romans ooit geschreven. Ralph Waldo Emerson koos Goethe als een van zes ‘representatieve mensen’ naast Plato, Shakespeare en Napoleon.
Maar Goethes belang reikt verder dan de literatuurgeschiedenis. Zijn concept van Bildung – de vorming van het hele individu door kunst, wetenschap en levenservaring – is een van de meest invloedrijke ideeën in de westerse opvoedkunde. Zijn gedichten zijn op muziek gezet door Mozart, Beethoven, Schubert, Brahms, Liszt, Wagner en Mahler. Zijn idee van een Weltliteratur – een wereldliteratuur die nationale grenzen overstijgt – was visionair in een tijd van groeiend nationalisme.
Bovenal belichaamt Goethe een ideaal dat in onze gespecialiseerde tijd zeldzamer is geworden: dat van de universele geest die weigert zich te laten opsluiten in één discipline. Hij was dichter én wetenschapper, bestuurder én kunstenaar, minnaar én filosoof. In een tijdperk waarin kennis steeds verder gefragmenteerd raakt, herinnert Goethe ons eraan dat de wereld – net als het leven – een geheel is dat pas werkelijk begrepen wordt wanneer we het vanuit al zijn facetten durven benaderen.


