Fabriekskinderen
Het is winter. Een koude decembernacht houdt met kille vingers de grijze universiteitsstad van het oude Holland een blinddoek voor de ogen.
Slechts een waardige metgezel van de reuzengeest van deze eeuw bindt de strijd aan met de nacht en rukt de blinddoek telkens weer los. Kijk maar: op geregelde afstanden werpen de gasvlammen een vluchtig licht in de holle straten en langs de sombere grachten verderop.
Waartoe die strijd, waarvoor dat licht? De stad is immers ter ruste gegaan en slaapt.
Geloof het niet, want telkens weer moet ze wakker zijn en kunnen zien, wakker zijn en kunnen zien om te waken voor het onheil dat zou kunnen naderen.
En de oude stad slaapt dan ook niet. Slechts af en toe wordt ze bevangen door een lichte sluimer, en het lijkt alsof ze droomt van haar vroegere roem, zoals de tere loot van de grijze vorst van de Alpen, die zachtjes aan haar borst sluimert en murmelt en fluistert over de grootheid van zijn afkomst.
Maar hoe vluchtig haar sluimer ook is, hoezeer ze telkens over de blinddoek heen probeert te kijken om zelfs ‘s nachts de wacht te houden, toch kan ze dat niet zoals ze zou willen.
De arme is ziek!
Ja, haar hoofd is helder, zelfs helderder dan vroeger. Ja, haar hart klopt nog even krachtig voor deugd en trouw als in de dagen van haar jeugd. En toch ziet u hoe haar rechterarm er als verlamd bij ligt.
Luister:
Een deel van haar edelste sappen is veranderd in onzuivere vochten, in vochten die een afzichtelijke wond hebben gevormd, een wond die haar krachten verteert en haar roemrijke bestaan misschien uiteindelijk te gronde richt.
Arme stad! Dochter van de Staat! Richt u op, werp u aan de borst van uw vader. Er zijn nog zusters die lijden zoals u. Smeek hem om u en hen te hulp te komen, om zijn dienaren te sturen met geneesmiddelen en zalf en, als het nodig is, met een vlijmscherp lancet.
Maar u, novellenschrijver, waarom spreekt u in beelden en raadsels? Hoort u niet al een stem opklinken die u maant tot eenvoud en kalmte, die u toeroept: ‘Blijf wie u wilt zijn!’
En ja, hij voelt wel dat die woorden terecht zijn. Maar ach, het bloed joeg hem koortsachtig door de aderen, want ziet u, men heeft hem die wond getoond! Men heeft hem gevraagd een woord tot de vader van de lijdende stad te richten, een smeekwoord om hulp, om spoedige redding. Is het een wonder dat hij, zich bewust van het grote gewicht van zijn opdracht, aanvankelijk moeite had de juiste toon te vinden? Toch zal hij vanaf nu proberen eenvoudig te zijn, ontzettend eenvoudig.
Het is winter. Koud was de decembernacht, en ijzig koud is ook de vroege ochtend. Vanuit Leidens hoogste toren bromt de klok zes slagen. Door de Breestraat en de Hoogewoerd voert onze weg naar een van de achterbuurten van de stad.
In het licht van een gaslantaarn zien we, enkele passen verderop, een armoedige woning. De bouw ervan herinnert aan Leidens roemrijke eeuw, aan de tijd waarin haar zonen en dochters moedig en sterk waren en streden voor recht en vrijheid.
Aan de gevel is niets veranderd. Alleen zou u bij daglicht kunnen zien dat de kleine, in lood gevatte ruitjes van vroeger, zoals de tijd dat vereiste, door iets grotere zijn vervangen. Eens kon Gods lieve zon maar nauwelijks in die woning doordringen. Maar nu...? Helaas! U ziet niet hoe die grotere ruiten grotendeels bedekt zijn met vettig stof, hoe vele ervan, achteloos gebroken, slechts slordig met ondoorzichtig papier zijn beplakt, hoe er tegenwoordig overdag in die armoedige woning nog minder licht binnenvalt dan vroeger. En dat is bedroevend, heel bedroevend!
Maar stil, ik moet eenvoudig zijn. Welnu, volg me de kleine woning in. In de kamer die we meteen achter de voordeur betreden, zou het volslagen donker zijn als de gaslantaarn buiten niet door het zojuist genoemde raam wat schijnsel naar binnen wierp. Het zware gesnurk van een man en de regelmatige, soms snellere ademhaling van enkele slapende kinderen bereiken onze oren. Juist op dit ogenblik kondigt de grote torenklok het zesde uur na middernacht aan. Bij de eerste klokslag komt er beweging in de bedstee waaruit het akelige gesnurk blijft klinken. Het is een vrouw die zich haastig opricht. Met een nijdig ‘Snurk toch niet zo!’ geeft ze de man naast haar een stomp tegen de schouder. Terwijl het nare geluid even verstomt, luistert ze aandachtig naar de doffe klokslagen in de verte.
‘Zes!’ bromt de vrouw binnensmonds. Geeuwend rekt ze haar ledematen, klimt snel uit de hoge bedstee en sloft even later op platgelopen pantoffels naar een andere bedstee.
Daar slapen drie kinderen bij elkaar: twee jongens van tien en dertien jaar en een meisje dat bijna twaalf is. In de bedstee van de ouders laat een baby van enkele maanden even een kreuntje horen, waarschijnlijk omdat hij merkt dat zijn moeder hem heeft verlaten. En in de wieg ervoor droomt een meisje van vier misschien, met een droevig glimlachje om haar mond, van mooie winkels vol brood van allerlei soorten.
‘Toe, kinderen, eruit!’ roept de moeder met schrille stem tegen het slapende drietal. Ze slaat de schamele deken weg en trekt de oudste jongen, haar Evert, aan zijn arm. Langzaam wordt hij wakker en staart met een lodderige blik voor zich uit, terwijl zij probeert de andere twee op dezelfde manier te wekken. Dat is niet eenvoudig. Saartje weert, nog diep in slaap, de moederhand af die haar rust komt verstoren, kruipt weg naar de achterste hoek van de bedstee en krult zich haast tot een bal op, met haar hoofd op haar knieën.
Plotseling klinkt er jammerlijk gehuil door de kamer. Het is Sander, de jongste van de jongens. Zijn moeder heeft hem zonder mededogen uit de bedstee getild, en nu staat hij, half wakker en half dromend, met zijn blote voetjes op de koude vloer.
‘Stil, Sander, straks hoort vader je!’ waarschuwt de moeder. Ze duwt hem en ook haar oudste zoon, die inmiddels uit bed is gekomen, hun schamele kleren in de handen. Daarna tast ze opnieuw naar het meisje dat zich heeft weggedoken, trekt haar aan haar hemdrokje naar voren en tilt ook haar, terwijl ze wild om zich heen slaat, uit bed.
Eenmaal op de grond opent Saartje haar ogen. Zojuist droomde ze dat een akelig dier haar bij de keel had gegrepen. Nu ziet ze... haar moeder. Ze klemt haar tere handjes tot vuistjes samen, drukt die koude knuistjes tegen haar brandende ogen en zegt dat het zo tikt in haar hoofdje.
Maar haar moeder hoort het niet. Toen ze Sander losliet om het meisje wakker te maken, zakte de jongen, overmand door de slaap, door zijn knieën. Met zijn hoofd tegen de muur is hij alweer diep in slaap gevallen.
‘Het is ook wel erg, pas om twaalf uur naar bed!’ mompelt de moeder. Ze buigt zich snel over de jongen heen en schudt hem opnieuw wakker. Maar wanneer het kind weer begint te huilen, nog harder dan daarnet, drukt ze hem haastig haar hand op de mond en werpt een angstige blik in de richting van haar bedstee. Want daar klinkt de ruwe stem van haar man, die met een nijdige vloek uitvalt: ‘Hé, mond houden, zeg!’
Een klein kwartier later loopt een armzalig drietal kinderen door de nog verlaten straten van een Leidse achterbuurt.
De nachtwacht die na zijn laatste ronde naar huis terugkeert, kent hen wel. Het zijn de kinderen van Gerrit Zwarte, de voormalige timmermansknecht. Van Zwarte, die sinds een paar jaar, zoals hij het zelf uitdrukt, bang is geworden voor ‘springende knokkels’ en daarom zijn handen maar in zijn broekzakken houdt.
Daar lopen ze, die kinderen. Evert, de oudste, trekt Sander met zich mee en probeert de bibberende kleine te paaien met de woorden: ‘Kom maar, daar verderop is het warm.’
Sander kan het allemaal niets schelen. Hij wil gaan liggen, hier op die stoep. Met het handje waaraan nog kruimels kleven van de koude aardappel die hij zojuist heeft gekregen en haastig opgegeten, wrijft hij telkens weer over zijn loodzware oogleden. Hij wil niet verder, weet je, hij wil niet!
En Saartje loopt, met opgetrokken schouders en haar armen in haar schort gewikkeld, haastig een paar passen voor haar broertjes uit. Bij iedere stap tikt het sneller en harder in haar hoofdje. Eergisteren had ze dat ook, maar nu is het erger, veel erger. Ze zal maar doorlopen, nóg harder, dan is ze eerder in de warmte.
Saartje is daar verderop al om de hoek verdwenen. Evert kan met Sander, die hij stevig vasthoudt, niet zo snel vooruitkomen.
Plotseling slaakt hij een akelige kreet en trekt met een pijnlijke ruk de hand terug waarmee hij Sander heeft voortgetrokken. Het arme, slaapdronken kind had hem venijnig gebeten, gebeten in de hand die hem dwong te lopen, terwijl hij wilde slapen, niets anders dan slapen.
‘Lelijke rakker!’ schreeuwt Evert, en...
Maar nee, hier gaan we niet verder. Arme, zwakke, onwetende schapen! Wij zouden jullie beschuldigen, wij, terwijl we alleen maar medelijden met jullie voelen en anderen slechts vragen ook medelijden met jullie te hebben. Ha! Alsof we niet méér voor jullie zouden willen!
En waarheen nu?
Kijk, een stenen vinger steekt hoog boven de daken uit en wenkt in de verte.
En daar... daar betreedt u een van de vele werkplaatsen van de machtige werkman, de krachtigste zoon van de geest die we eerder noemden.
Wonderbaarlijke telg van genie en verstand, begiftigd met ontzaglijke kracht en rusteloze ijver, geboren om de mensen welvaart en zegen te brengen... Stil, wie fluistert daar zachtjes: ‘En vaak ook om hun moordenaar te zijn?’
Kijk, in de voorhoven van zijn werkplaats stoken de dienaren een vuur dat een bedwelmende hitte verspreidt. Ontwakend uit een korte sluimer rekt hij zijn ledematen en spant zijn spieren. Krachtig heft hij zijn ijzeren armen omhoog, en wanneer hij ze heft, grijpen zijn vingers in stangen en drijfwielen, stampen zijn voeten op kammen en staven, draaien en wentelen ontelbare raderen. Overal snort het en gonst het en bonst het, en zijn stem klinkt als een donderslag: ‘Voort, raderen, voort! Maak haastig voor de mensen uit ruwe wol een kostbare draad voor een verwarmend dekkleed!’ En het snort en dreunt en bonst nog harder, en steeds klinkt die stem:
‘Voort, raderen, voort!’
Ik weet niet waar Saartje gebleven is. Ze is een groot maar somber gebouw binnengegaan, heeft een steile trap beklommen en is, hijgend naar adem, verdwenen in een van de zalen van de uitgestrekte stoomwolspinnerij.
Evert, die zijn broertje in de verlaten straat heeft achtergelaten, moet haar al snel gevolgd zijn. Ook hem ziet u nergens meer.
Bent u een vreemdeling in deze werkplaats, dan kunt u aanvankelijk maar weinig onderscheiden. Er flonkeren weliswaar talloze gasvlammen in afwachting van de naderende ochtend, maar hun licht wordt voortdurend onderschept en gebroken door een aantal enorme gevaarten die, zich van niets bewust, onverstoorbaar hun werk verrichten. Pas op dat uw kleren niet gegrepen worden door een van de vele machineraderen die u in de nauwe doorgang aan weerszijden bedreigen. En kijk uit waar u loopt, zodat uw voet niet blijft haken achter de brede aandrijfriem die daar die grote schijf in beweging brengt. Die schijf is het hoofdrad van de trommel van de schrobbelmolen, de machine die de samengeperste wol tevoorschijn brengt in losse, platte vlokken.
En daarnaast staat een ander werktuig: de kaartmachine, die voortdurend de vlokkige wol ontvangt, haar in haar ijzeren binnenwerk kaardt en verdeelt, en haar vervolgens als donzige rolletjes laat vallen.
En die rolletjes wol, zo lang als een arm, zo dun als een pink en zo licht als een veertje, waar blijven die? Kijk, tal van losse raderen bewegen heen en weer en voeren ze naar de grofmolen daar. Ze verbinden ze snel met de rolletjes of draden die bijna zijn versponnen. Snel, ongelooflijk snel: zevenhonderd keer in één uur, negenduizend keer op een lange werkdag.


