Denis Diderot: architect van de moderne kenniscultuur
Hoe een onterfd schrijverszoon uit de Franse provincie de wereld veranderde met de Encyclopédie en het vrije denken vormgaf
Op 31 juli 1784 stierf in Parijs een man wiens naam tijdens zijn leven maar matig bekendheid genoot buiten de kringen van de Franse intelligentsia. Toch zou Denis Diderot, geboren op 5 oktober 1713 in het provinciale Langres in de Champagnestreek, postuum uitgroeien tot een van de meest invloedrijke denkers van de westerse beschaving. Als filosoof, romancier, toneelschrijver, kunstcriticus en bovenal als de bezielende kracht achter de Encyclopédielegde hij het fundament voor een wereld waarin kennis voor iedereen toegankelijk zou zijn.
Dit is het verhaal van een messenmakerszoon die door zijn eigen vader werd onterfd, die in de kerkers van Vincennes belandde vanwege zijn ideeën, die een kwart eeuw van zijn leven opofferde aan een mammoetproject dat herhaaldelijk werd verboden — en die desondanks het intellectuele landschap van Europa voorgoed hertekende.
Een jeugd tussen geloof en twijfel
Denis Diderot groeide op als zoon van Didier Diderot, een gerespecteerde maître coutelier (meester-messenmaker), en Angélique Vigneron. Het gezin was welgesteld naar provinciale maatstaven en diepgelovig katholiek. Van de zes kinderen bereikten er vier de volwassen leeftijd. Denis koesterde een bijzondere bewondering voor zijn zuster Denise, die hij later zou omschrijven als een “vrouwelijke Socrates” — een eerbetoon dat veel zegt over het belang dat hij hechtte aan intellectuele scherpzinnigheid, ongeacht geslacht.
Zijn formele opleiding begon aan een jezuïetencollege in Langres, waar hij doordrongen raakte van de klassieke retorica en de scholastieke filosofie. In 1732 behaalde hij de graad van Maître ès Arts aan de Universiteit van Parijs. Aanvankelijk leek een carrière in de geestelijkheid voor de hand te liggen, maar in 1735 liet Diderot dat pad achter zich. Hij probeerde kort rechten te studeren aan de Parijse rechtenfaculteit, maar ook dat beviel hem niet. Begin jaren veertig van de achttiende eeuw nam hij het besluit dat zijn leven definitief zou bepalen: hij zou schrijver worden.
Zijn vader reageerde met ontzetting. Een schrijversbestaan gold als onzeker en oneerbaar. Didier Diderot onterfde zijn zoon, die vervolgens een decennium lang een bohemienbestaan leidde in de Parijse sloppenwijken — hongerend, vertaalwerk verrichtend en de eerste contouren schetsend van een filosofie die rede en gevoel met elkaar wilde verzoenen.
Van vertaler tot origineel denker
In de vroege jaren veertig leerde Diderot zijn brood verdienen als vertaler. Hij vertaalde Temple Stanyans History of Greece (1743) en Shaftesbury’s Inquiry Concerning Virtue and Merit (1745), waaraan hij eigen “reflecties” toevoegde — een eerste teken van intellectuele eigengereidheid. Samen met collega’s François-Vincent Toussaint en Marc-Antoine Eidous produceerde hij daarnaast een vertaling van Robert James’ medisch woordenboek.
Maar het was zijn eerste geheel originele werk, de Pensées philosophiques (1746), dat zijn intellectuele ambitie onthulde. In dit geschrift bepleitte Diderot een harmonisch samenspel van rede en emotie. Zonder gevoel, zo betoogde hij, verschrompelt de deugd en wordt het onmogelijk subliem werk te scheppen. Tegelijkertijd heeft gevoel zonder discipline een destructieve werking, waardoor de rede onmisbaar is als regulerend principe. Op dat moment was Diderot nog deïst: hij verdedigde het bestaan van een schepper, maar bekritiseerde de georganiseerde religie.
Een jaar later, in 1747, schreef hij La Promenade du sceptique (“De wandeling van de scepticus”), een dialoog tussen een deïst, een atheïst en een pantheïst over de aard van het goddelijke. Het manuscript werd in beslag genomen door de politie, gewaarschuwd door geestelijken die een nieuwe aanval op het christendom vreesden. Het werk zou pas in 1830 worden gepubliceerd.
De Brief over de blinden en de weg naar Vincennes
Het was zijn Lettre sur les aveugles à l’usage de ceux qui voient (1749) die Diderot definitief op de kaart zette als origineel denker — en hem achter de tralies bracht. In dit essay onderzocht hij de relatie tussen zintuiglijke waarneming en kennisvergaring, gebruikmakend van het voorbeeld van de blinde Engelse wiskundige Nicholas Saunderson. De blinde Saunderson betoogt op zijn sterfbed dat, aangezien kennis voortkomt uit de zintuigen, wiskunde de enige kennisvorm is waarover blinden en zienden het eens kunnen zijn. Tussen de regels door presenteerde Diderot een vroege, zij het onuitgewerkte, theorie van variatie en natuurlijke selectie — bijna een eeuw vóór Darwin.
Het essay werd anoniem gepubliceerd, maar de autoriteiten identificeerden Diderot snel als de auteur. Op 24 juli 1749 werd hij gearresteerd en opgesloten in eenzame opsluiting in het fort van Vincennes. Hij mocht één boek behouden: Miltons Paradise Lost. Met een tandenstoker als pen en inkt gemaakt van gemalen leisteen vermengd met wijn schreef hij aantekeningen in de marges.
Voltaire stuurde hem een enthousiaste brief; Madame du Châtelet pleitte bij de gouverneur voor betere omstandigheden. Jean-Jacques Rousseau, op dat moment Diderots naaste bondgenoot, bezocht hem bijna dagelijks — bezoeken die Rousseau zelf later beschreef als een keerpunt in zijn eigen denken, de beroemde illumination de Vincennes. Op 3 november 1749 werd Diderot vrijgelaten, nadat hij een verklaring had ondertekend waarin hij beloofde niet meer te publiceren. Het was een belofte die hij onmogelijk kon houden.
De Encyclopédie: een monument van de Verlichting
Wat begon als een bescheiden vertaalproject groeide uit tot het meest ambitieuze intellectuele onderneming van de achttiende eeuw. Boekhandelaar André le Breton benaderde Diderot met het voorstel om Ephraim Chambers’ Engelse Cyclopaedia te vertalen naar het Frans. Diderot zag echter veel grotere mogelijkheden. Hij overtuigde Le Breton om in plaats daarvan een geheel nieuw werk te creëren: een encyclopedie die alle takken van menselijke kennis zou omvatten.
Samen met wiskundige Jean le Rond d’Alembert als mede-redacteur verscheen in 1751 het eerste deel van de Encyclopédie, ou dictionnaire raisonné des sciences, des arts et des métiers. Het was een werk zonder precedent: de eerste encyclopedie met bijdragen van benoemde auteurs, de eerste die systematisch de mechanische kunsten beschreef, en de eerste die wetenschappelijke en ambachtelijke kennis op gelijke voet behandelde. Het aantal abonnees groeide van tweeduizend naar vierduizend — een graadmeter voor de groeiende invloed van het project.
Verboden, gecensureerd en verraden
De seculiere toon van de Encyclopédie — met artikelen die sceptisch stonden tegenover Bijbelse wonderen — wekte de toorn van zowel de Katholieke Kerk als de Franse overheid. In 1752 werd het project al geschorst wegens vermeende opruiende inhoud. Diderot werd opnieuw ondervraagd, zijn huis doorzocht. De manuscripten werden echter niet gevonden: ze waren verborgen in het huis van niemand minder dan Chrétien de Lamoignon de Malesherbes, de censor die zelf de huiszoeking had bevolen. Hoewel Malesherbes een overtuigd absolutist was, sympathiseerde hij met het intellectuele project.
In 1758 plaatste de Katholieke Kerk de Encyclopédie op de Index van Verboden Boeken. Een jaar later volgde een formeel verbod van de Franse overheid, hoewel dit niet strikt werd gehandhaafd. De gevolgen waren desondanks verwoestend. Medewerkers verlieten het project uit angst; sommigen werden opgesloten. D’Alembert trok zich in 1759 terug, waardoor Diderot als enige redacteur overbleef.
De volgende jaren vormden een slopende marathon. Diderot schreef eigenhandig zo’n zevenduizend artikelen, variërend van beknopte lemma’s tot uitputtende verhandelingen. Overdag bezocht hij werkplaatsen om ambachtelijke processen uit de eerste hand te leren; ’s nachts schreef hij alles op. Hij beschadigde zijn ogen bij het corrigeren van drukproeven en het redigeren van manuscripten van minder zorgvuldige bijdragers. Hij werd voortdurend bedreigd met politie-invallen.
En dan was er het definitieve verraad. In 1764, toen het einde van het project naderde, ontdekte Diderot dat uitgever Le Breton in het geheim — en onherstelbaar — passages uit de drukproeven had geschrapt die hij te gevaarlijk achtte, en vervolgens de originele manuscripten had vernietigd. Het monument waaraan Diderot twintig jaar had gewerkt, was onherstelbaar verminkt. Desondanks verschenen de laatste van de achtentwintig foliodelen in 1772. De Encyclopédie wordt tegenwoordig beschouwd als een van de intellectuele wegbereiders van de Franse Revolutie.
Het literaire oeuvre: meesterwerken uit de schaduw
Een van de grote paradoxen van Diderots nalatenschap is dat veel van zijn belangrijkste literaire werken pas na zijn dood werden gepubliceerd. Tijdens zijn leven berustte zijn reputatie voornamelijk op zijn toneelstukken en zijn encyclopedische arbeid. Maar het was in zijn romans, dialogen en essays dat zijn meest vernieuwende en gewaagde ideeën vorm kregen.
Les bijoux indiscrets (1748)
Les bijoux indiscrets (“De indiscrete juwelen”) was Diderots eerste roman, geschreven in hoog tempo om geld bijeen te brengen voor zijn gezin en zijn minnares Madeleine de Puisieux. Het verhaal draait om de magische ring van een sultan die vrouwen ertoe dwingt hun seksuele ervaringen te bekennen. Achter de pikante buitenlaag verschuilt zich echter een filosofisch kader: in een cruciale scène droomt de sultan van een kind genaamd “Experiment” dat een tempel genaamd “Hypothese” vernietigt — een allegorie die Diderots empirische visie op kennis weerspiegelt. Het boek werd clandestien verkocht en is tot op heden zijn meest herdrukte werk.
La Religieuse
La Religieuse (“De non”) begon als een literaire grap: een uitgebreide mystificatie om een vriend, de markies De Croismare, terug naar Parijs te lokken. Maar het groeide uit tot een snijdende roman over de jonge Suzanne Simonin, die tegen haar wil wordt opgesloten in een klooster omdat zij een onwettig kind is. Diderot schildert een claustrofobische wereld van vernedering, geweld en onderdrukking. De roman was geen aanval op het christendom zelf, maar op de gedwongen kloosterlijke opsluiting en het machtsmisbruik dat daaruit voortvloeide. Het werk werd pas in 1796, twaalf jaar na Diderots dood, gepubliceerd.
De inspiratie voor de roman lag mogelijk dicht bij huis. Diderots eigen zuster Angélique stierf in 1749 als non in haar klooster, onder omstandigheden die Diderot diep troffen en mogelijk zijn kijk op de georganiseerde religie hebben versterkt.
Le Neveu de Rameau
Le Neveu de Rameau (“De neef van Rameau”), geschreven tussen 1761 en 1774 maar nooit door Diderot zelf gepubliceerd, wordt door kenners beschouwd als een van de hoogtepunten van de Franse Verlichtingsliteratuur. De dialoog tussen de verteller en de reëel bestaande Jean-François Rameau, neef van de beroemde componist Jean-Philippe Rameau, is een virtuoze dans tussen moraliteit en cynisme, tussen ideaal en werkelijkheid. De neef is een gefaalde muzikant die vervallen is tot luiheid en losbandigheid, maar genoeg scherpzinnigheid behoudt om zijn eigen neergang filosofisch te analyseren. Het werk anticipeert Hegels dialectiek van heer en slaaf, en verkent op meesterlijke wijze de spanningen van een standensamenleving onder het absolutisme.
Na Diderots dood bereikte een kopie van het manuscript Friedrich Schiller, die het aan Goethe gaf. Goethe vertaalde het in 1805 naar het Duits — de eerste gepubliceerde versie van het werk.
Jacques le fataliste en Le Rêve de d’Alembert
Jacques le fataliste et son maître, geschreven tussen 1765 en 1780 maar pas in 1796 in het Frans gepubliceerd, is een anticonventionele roman die de structuur van het vertellen zelf ondervraagt, vergelijkbaar met Laurence Sternes Tristram Shandy. Het werk speelt voortdurend met de verwachtingen van de lezer en doorbreekt de illusie van een lineair verhaal.
Le Rêve de d’Alembert (1769) is een filosofische dialoog waarin Diderot zich waagt aan de grote vragen over de aard van de materie en de zin van het bestaan. Het werk, dat pas na zijn dood verscheen, wordt beschouwd als een van de meest gedurfde speculatieve teksten van de achttiende eeuw.
Wetenschap en de eenheid van de natuur
Hoewel Diderot geen wetenschapper was in de moderne zin van het woord, liep zijn denken over de natuur opvallend vooruit op latere ontwikkelingen. Hij verwierp de theorie van de emboîtement — het idee dat organismen voorgevormd zitten in een oneindige regressie van onveranderlijke kiemen — en zag mineralen en soorten als onderdeel van een continuüm. Hij was gefascineerd door hermafroditisme en formuleerde een concept van universele elasticiteit als antwoord op de universele aantrekking in de corpusculaire fysica.
Wetenschapshistoricus Conway Zirkle noemde Diderot een vroege evolutionaire denker en merkte op dat diens beschrijving van het principe van natuurlijke selectie opmerkelijk helder en nauwkeurig was. Diderots visie op de flexibiliteit van de natuur voorbode de ontdekking van de evolutietheorie, al was ze niet Darwinistisch in strikte zin.
Catharina de Grote en de laatste jaren
Gedurende het grootste deel van zijn carrière worstelde Diderot met financiële problemen. Officiële erkenning bleef grotendeels uit; hij werd gepasseerd voor lidmaatschap van de Académie française. Zijn lot keerde in 1766, toen de Russische keizerin Catharina de Grote, die had vernomen van zijn financiële moeilijkheden, zijn persoonlijke bibliotheek van drieduizend banden kocht voor vijftienduizend livres. Bovendien bood zij hem duizend livres per jaar om als bewaarder van zijn eigen collectie te fungeren, waarbij hij vijftig jaar “salaris” vooruit ontving.
In 1773 en 1774 verbleef Diderot vijf maanden aan het hof van Catharina in Sint-Petersburg. Meerdere keren per week voerden zij gesprekken over filosofie, politiek en wetenschap, waarbij Diderot essays voor haar schreef over uiteenlopende onderwerpen. Het was een van de merkwaardigste ontmoetingen tussen macht en intellect in de Europese geschiedenis.
Denis Diderot overleed op 31 juli 1784 in Parijs. Zijn vrouw Antoinette overleefde hem twaalf jaar. Zijn dochter Angélique, vernoemd naar zowel zijn moeder als zijn zuster, bewaarde zijn nagedachtenis.
Nalatenschap: de onzichtbare architect
De ironie van Diderots leven is dat zijn grootste werken onzichtbaar bleven tijdens zijn leven. Jacques le fataliste, Le Neveu de Rameau, La Religieuse, Le Rêve de d’Alembert — stuk voor stuk meesterwerken die pas postuum verschenen. In die zin was Diderot een schrijver voor de toekomst, wiens radicaalste ideeën te gevaarlijk waren voor zijn eigen tijd.
Zijn invloed is echter onmetelijk. De Encyclopédie legde het fundament voor het ideaal dat kennis vrij en toegankelijk moet zijn — een principe dat doorklinkt in elke moderne bibliotheek, in elk open-accesstijdschrift, in elke online encyclopedie. Zijn literaire experimenten met meerstemmigheid, zelfbewuste verteltechnieken en de vermenging van genres anticipeerden op de moderne roman. Zijn materialistische filosofie en vroege evolutionaire intuïties plaatsen hem in de voorhoede van het wetenschappelijk denken.
Maar misschien is Diderots belangrijkste erfenis wel zijn onvermoeibare geloof in de kracht van ideeën om de wereld te veranderen. Een kwart eeuw lang werkte hij aan een project dat herhaaldelijk werd verboden, gecensureerd en gesaboteerd — en hij gaf niet op. In een tijdperk van censuur en conformisme koos hij voor de vrije gedachte, en betaalde daarvoor met opsluiting, armoede en onbegrip.
Denis Diderot was geen koning, geen veldheer, geen revolutionair in de gebruikelijke zin. Hij was iets machtiger: een man die geloofde dat kennis de wereld kan verlichten, en die zijn hele leven in dienst stelde van dat geloof.


