D’Alembert: het verlaten vondelingenkind dat de Verlichting vormgaf
Hoe een ongewenste zuigeling, achtergelaten op de trappen van een Parijse kerk, uitgroeide tot wiskundige, filosoof en medebedenker van de Encyclopédie
Op een novembernacht in 1717 werd in Parijs een pasgeboren jongen achtergelaten op de trappen van de kerk Saint-Jean-le-Rond, een klein godshuis dat destijds in de schaduw van de Notre-Dame stond. Het kind — ongewenst door zijn moeder, de salonière Claudine Guérin de Tencin, en onerkend door zijn vader, de artillerieofficier Louis-Camus Destouches — kreeg de naam van de beschermheilige van de kerk: Jean Le Rond. Niemand kon toen vermoeden dat deze vondeling zou uitgroeien tot een van de invloedrijkste geesten van de achttiende eeuw.
De levensgeschiedenis van Jean Le Rond d’Alembert leest als een roman die zelfs de meest vindingrijke auteur niet had kunnen bedenken. Zijn verhaal is dat van een briljant wiskundige die de golfvergelijking formuleerde, een moedige filosoof die het intellectuele fundament van de Encyclopédie legde, en een man die ondanks roem en erkenning door koningen en keizerinnen vasthield aan een leven van sober onafhankelijkheid. Om d’Alembert te begrijpen, moet men zowel zijn wetenschap als zijn tijd doorgronden — en bovenal het opmerkelijke karakter van een man die weigerde zich te laten definiëren door de omstandigheden van zijn geboorte.
Een vondeling met een verborgen vader
Claudine Guérin de Tencin was geen gewone vrouw. Zij was een voormalig non, een ambitieuze salonière en een invloedrijke figuur in de Parijse elite. Haar beruchte salon trok schrijvers, politici en avonturiers aan, en zij had haar fortuin opgebouwd dankzij een slimme investering in het speculatieve banksysteem van de Schotse financier John Law. Maar een buitenechtelijk kind paste niet in haar zorgvuldig opgebouwde publieke imago. Toen Jean Le Rond op 16 november 1717 werd geboren, liet zij hem binnen enkele dagen achter bij de kerk.
Het kind werd naar het vondelingentehuis gebracht en vervolgens uitbesteed bij een pleegmoeder in Picardie. Zijn vader, die zich ten tijde van de geboorte in het buitenland bevond, spoorde het kind echter op zodra hij terugkeerde naar Parijs. Destouches plaatste de kleine Jean bij Madame Rousseau, de echtgenote van een glazenmaker, en betaalde in het geheim voor zijn onderwijs. Hoewel Destouches zijn vaderschap nooit officieel erkende, zorgde hij wel voor een jaarlijks inkomen van twaalfhonderd livres dat de jongen na Destouches’ overlijden in 1726 ontving — genoeg voor een bescheiden maar onafhankelijk bestaan.
Bij Madame Rousseau vond d’Alembert een thuis dat hij bijna vijftig jaar lang niet zou verlaten. Zij was een eenvoudige vrouw die weinig ophad met zijn intellectuele ambities. Wanneer hij haar vertelde over een ontdekking of een nieuw geschrift, antwoordde zij doorgaans met nuchtere berusting: hij zou toch nooit meer zijn dan een filosoof, en wat was dat anders dan iemand die zich het hele leven kwelt om na zijn dood besproken te worden? Toch bleef d’Alembert haar altijd als zijn ware moeder beschouwen. De Tencin heeft hij nooit als zodanig erkend.
Van theologie naar wiskunde: een zoektocht naar roeping
Dankzij de financiële steun van de familie Destouches kon d’Alembert op twaalfjarige leeftijd het Collège des Quatre-Nations betreden, een prestigieuze Jansenistische onderwijsinstelling die ook bekendstond als het Collège Mazarin. Hij schreef zich in onder de naam Jean-Baptiste Daremberg en veranderde die later — vermoedelijk om redenen van welluidendheid — in d’Alembert. Zijn leermeesters stuurden hem richting een carrière in de Kerk, maar de theologie bleek, in zijn eigen woorden, „ontoereikend voedsel” voor zijn onverzadigbare geest.
Na het Collège studeerde d’Alembert twee jaar rechten en behaalde in 1738 zijn bevoegdheid als advocaat. Vervolgens wijdde hij een jaar aan de geneeskunde. Maar het was de wiskunde die hem werkelijk greep, in het bijzonder de wiskundige natuurkunde zoals die door Isaac Newton was ontwikkeld en recent door Voltaire in Frankrijk geïntroduceerd. In juli 1739 leverde d’Alembert zijn eerste bijdrage aan de Académie des Sciences: een memoire waarin hij fouten aanwees in de Analyse démontrée van Charles-René Reynaud, een standaardwerk dat hij zelf als student had gebruikt. Het was een opvallend zelfverzekerd debuut voor een tweeentwintigjarige autodidact.
In 1740 volgde een tweede publicatie, over de mechanica van vloeistoffen, en in mei 1741 werd d’Alembert — na drie eerdere pogingen — toegelaten tot de Parijse Académie des Sciences. Hij was vierentwintig jaar oud en had zich in minder dan twee jaar een reputatie verworven als een wiskundige van uitzonderlijke scherpte.
Het Traité de dynamique en de geboorte van een nieuw beginsel
Het jaar 1743 markeerde d’Alemberts grote doorbraak. Op zesentwintigjarige leeftijd publiceerde hij zijn Traité de dynamique, een fundamenteel werk over de dynamica dat het naar hem vernoemde principe bevat: het “principe van d’Alembert”. Dit principe stelt dat Newtons derde wet van de beweging — actie en reactie zijn aan elkaar gelijk en tegengesteld — niet alleen geldt voor stilstaande lichamen, maar evenzeer voor lichamen die vrij kunnen bewegen. Met dit inzicht bouwde d’Alembert een brug tussen de statica en de dynamica, waarmee hij een heel nieuw veld van de mechanica ontsloot.
Wat volgde was een uitzonderlijk productieve periode. In 1744 paste hij zijn principe toe op de theorie van het evenwicht en de beweging van vloeistoffen in zijn Traité de l’équilibre et du mouvement des fluides. In 1746 verschenen zijn Réflexions sur la cause générale des vents, gewijd aan Frederik de Grote van Pruisen, waarin hij pionierswerk verrichtte op het gebied van partiële differentiaalvergelijkingen. Dit werk leverde hem niet alleen internationale erkenning op, maar ook een uitnodiging naar Berlijn en het aanbod van een pensioen van de Pruisische koning.
Het hoogtepunt van zijn wiskundige arbeid in deze jaren was zijn artikel uit 1747 over trillende snaren, waarin de golfvergelijking voor het eerst in druk verscheen. D’Alembert liet zien dat de verplaatsing van een vibrerende snaar beschreven kan worden door een partiële differentiaalvergelijking, en gaf er een elegante oplossing voor. Deze “formule van d’Alembert” zou een hoeksteen worden van de wiskundige natuurkunde en is tot op de dag van vandaag een vast onderdeel van elk curriculum in de theoretische fysica.
De Encyclopédie: een intellectuele revolutie op papier
Halverwege de jaren 1740 werd d’Alembert betrokken bij wat het meest ambitieuze publicatieproject van de achttiende eeuw zou worden: de Encyclopédie, ou dictionnaire raisonné des sciences, des arts et des métiers. Denis Diderot, de drijvende kracht achter het project, had iemand nodig die de wetenschappelijke en wiskundige artikelen kon begeleiden. Zijn keuze viel op d’Alembert, die al snel werd gepromoveerd tot mederedacteur van het gehele werk.
D’Alemberts bijdrage aan de Encyclopédie was enorm. Hij schreef meer dan vijftienhonderd gesigneerde artikelen en nog eens zo’n driehonderdvijftig anonieme bijdragen over onderwerpen variërend van wiskunde en astronomie tot akoestiek en muziektheorie. Zijn artikelen waren herkenbaar aan het code-teken “(O)” waarmee zij in de Encyclopédie werden gemarkeerd. Maar zijn voornaamste en meest duurzame bijdrage was het Discours préliminaire, de voorrede bij het eerste deel dat in 1751 verscheen.
Dit Discours wordt algemeen beschouwd als een van de beste inleidingen tot de Verlichting die ooit geschreven zijn. Daarin ontvouwde d’Alembert een systematische classificatie van de menselijke kennis, geïnspireerd op het empirisme van John Locke en het rationalisme van Francis Bacon. Hij verdeelde het menselijk begrip in drie vermogens — geheugen, rede en verbeelding — en verbond deze met respectievelijk de geschiedschrijving, de filosofie en de schone kunsten. Het was een ambitieuze poging om de volledige boom van menselijke kennis in kaart te brengen, en het legde het intellectuele fundament voor het gehele encyclopedische project.
Cruciaal was d’Alemberts nadruk op het vermogen van de mens om door middel van eigen intelligentie en analyse de omstandigheden van het menselijk bestaan te verbeteren. Hij verwierp a priori speculaties en bouwde zijn methode op waarneming en bewijs. In zijn scherpe kritiek op het intellectuele despotisme van kerkelijke autoriteiten — waaronder een vernietigende passage over de Inquisitie — maakte d’Alembert zich tot een van de meest uitgesproken stemmen van het verlichtingsdenken. De Encyclopédie moest seculier en naturalistisch zijn: een monument van kennis dat de theologie als leidend principe verving door rede en empirie.
Het project verliep echter niet zonder strijd. De publicatie van de Encyclopédie werd meerdere malen door censuur getroffen, en d’Alembert raakte rond 1757 verwikkeld in een reeks crises die hem uiteindelijk bewogen om zich in 1759 als redacteur terug te trekken. Hoewel hij bleef bijdragen als auteur, liet hij de dagelijkse redactionele verantwoordelijkheid over aan Diderot, die het project grotendeels alleen voortzette tot de voltooiing van de laatste delen in 1772.
De salons, de liefde en de Académie
Hoewel d’Alembert tot halverwege zijn leven teruggetrokken bij Madame Rousseau woonde, veranderde zijn sociale wereld aanzienlijk toen hij in 1746 werd geïntroduceerd in de salon van Madame Geoffrin. Daar begon hij de intellectuele saloncultuur te omarmen die zo kenmerkend was voor het Parijse Verlichtingsmilieu. Zijn levendige persoonlijkheid en scherpe geest maakten hem al snel tot een geliefde gesprekspartner onder de filosofen.
Mede door de inzet van Madame du Deffand, een andere invloedrijke salonière, werd d’Alembert in 1754 verkozen tot lid van de Académie française. Hij werkte onvermoeibaar om het aanzien van de instelling te vergroten en streefde er consequent naar om leden te kiezen die sympathiek stonden tegenover de zaak van de philosophes. In 1772 werd hij benoemd tot permanent secretaris van de Académie, een positie die hij tot zijn dood zou bekleden. Als secretaris schreef hij de éloges — biografische lofredeë — van overleden leden, een taak die hij met toewijding vervulde en die een fascinerend tijdsbeeld opleverde.
In 1765 dwong een ernstige ziekte d’Alembert om het huis van Madame Rousseau te verlaten. Hij trok in bij Julie de Lespinasse, een vrouw op wie hij diep verliefd was geworden. Hun relatie was innig maar tragisch: na Julie’s dood in 1776 ontdekte d’Alembert dat zij tegelijkertijd liefdesbrieven had ontvangen van twee andere mannen, de graaf de Guibert en de markies de Mora. De ontdekking trof hem diep en vergalde zijn laatste levensjaren.
Koningen, keizerinnen en de keuze voor Parijs
D’Alemberts reputatie reikte ver buiten de grenzen van Frankrijk. Vanaf 1752 probeerde Frederik de Grote van Pruisen hem herhaaldelijk te overreden om voorzitter te worden van de Berlijnse Academie van Wetenschappen. D’Alembert bracht een kort bezoek aan Frederik in het Rijnlandse Wesel in 1755 en verbleef langere tijd in Potsdam in 1763, maar weigerde consequent een permanent verblijf in het buitenland. Hij adviseerde Frederik jarenlang over het bestuur van de academie en de benoeming van nieuwe leden, maar deed dit op afstand.
In 1762 nodigde keizerin Catharina II van Rusland hem uit om gouverneur te worden van haar zoon, de latere tsaar Paul I. Ook dit aanbod sloeg d’Alembert af. Zijn redenen waren deels pragmatisch — hij vreesde de gevolgen van een buitenlands verblijf voor zijn gezondheid — maar vooral principieel: hij wilde niet worden gescheiden van het intellectuele leven van Parijs, de stad die hij als het kloppend hart van de Europese Verlichting beschouwde.
Dit patroon van weigering tekent d’Alemberts karakter. Hij koesterde zijn onafhankelijkheid boven alles. De jaarlijkse toelage van twaalfhonderd livres die zijn vader hem had nagelaten, gaf hem precies genoeg financiële vrijheid om niet afhankelijk te zijn van mecenassen of vorsten. Hij leefde sober, weigerde schitterende posities, en bleef trouw aan zijn overtuiging dat intellectuele vrijheid het hoogste goed was. Het was een houding die Voltaire soms irriteerde — de patriarch van de Verlichting betwijfelde af en toe d’Alemberts strijdvaardigheid — maar die d’Alembert zelf als de enige levenswijze beschouwde die een filosoof paste.
Muziektheorie, astronomie en het brede palet
D’Alemberts intellectuele blikveld was buitengewoon breed. Naast zijn baanbrekende werk in de wiskunde en de mechanica maakte hij belangrijke bijdragen aan de astronomie, met name op het gebied van de precessie van de equinoxen en de variaties in de hellingshoek van de aardas. Deze resultaten bundelde hij in 1749 en 1754 in omvangrijke verhandelingen die voortbouwden op het newtonsiaanse wereldbeeld.
Een minder bekend maar fascinerend aspect van d’Alemberts oeuvre is zijn werk aan muziektheorie. In 1752 publiceerde hij de Éléments de musique, een poging om de harmonische principes van de componist Jean-Philippe Rameau systematisch uiteen te zetten. Rameau had de muziekpraktijk van zijn tijd geconsolideerd in een harmonisch systeem dat de westerse muziek tot omstreeks 1900 zou domineren. D’Alembert wilde deze principes wiskundig onderbouwen en voor een breder publiek toegankelijk maken. In 1754 volgde een essay over muziek in het algemeen en de Franse muziek in het bijzonder, en hij schreef daarnaast meerdere artikelen over akoestiek voor de Encyclopédie.
Zijn literaire en filosofische essays, gebundeld in de Mélanges de littérature, d’histoire et de philosophie uit 1753, toonden een denker die minstens zoveel belang hechtte aan de maatschappelijke positie van schrijvers als aan wiskundige theorema’s. Zijn Essai sur les gens de lettres riep schrijvers op om vrijheid, waarheid en zelfs armoede te verkiezen boven afhankelijkheid van aristocratische beschermheren, en maande patronen hun schrijvers met respect te behandelen. Het was een manifest voor intellectuele onafhankelijkheid dat naadloos aansloot bij d’Alemberts eigen levenshouding.
De d’Alembert-paradox en wetenschappelijke strijd
D’Alembert was niet alleen een groot wiskundige maar ook een strijdlustig debater. Zijn temperament bracht hem in wetenschappelijke en filosofische conflicten met vele tijdgenoten, waaronder de Zwitserse wiskundige Leonhard Euler en de Franse wiskundige Alexis Clairaut. De discussies betroffen fundamentele kwesties in de wiskunde en de mechanica, en hoewel zij soms persoonlijk werden, stimuleerden zij ook de voortgang van de wetenschap.
Een van de beroemdste resultaten die zijn naam draagt, is de zogeheten “paradox van d’Alembert” in de vloeistofmechanica: de contra-intuïtieve uitkomst dat een lichaam dat zich door een ideale, wrijvingsloze vloeistof beweegt, geen stromingsweerstand ondervindt. Dit resultaat, dat in flagrante tegenspraak leek met de alledaagse ervaring, prikkelde generaties wiskundigen en fysici en droeg bij aan de latere ontwikkeling van de grenslaagtheorie.
In de wiskunde wordt in Frankrijk de fundamentele stelling van de algebra soms naar d’Alembert vernoemd — het “théorème de d’Alembert” — hoewel het bewijs pas later rigoureus werd geleverd door Carl Friedrich Gauss. Het tekent de breedte van d’Alemberts invloed dat zijn naam verbonden is aan resultaten in zulke uiteenlopende domeinen als de analyse, de mechanica, de vloeistofdynamica en de algebra.
Laatste jaren: eenzaamheid in het Louvre
Na de dood van Julie de Lespinasse in 1776 trok d’Alembert zich terug in een klein appartement in het Louvre, waar hij als permanent secretaris van de Académie française recht op had. De laatste zeven jaar van zijn leven bracht hij daar door, getekend door verdriet en een steeds brozer wordende gezondheid. Hoewel hij in deze periode weinig origineel werk produceerde, bleef hij een belangrijk correspondent van Voltaire en Frederik de Grote, en zette hij zich in voor jonge wiskundigen als Joseph-Louis Lagrange, Pierre-Simon Laplace en de markies de Condorcet.
D’Alembert spoorde Frederik de Grote aan om asiel te bieden aan degenen die om hun ideeën werden vervolgd — een beroep dat aansloot bij zijn levenslange overtuiging dat vrij denken beschermd moest worden, ongeacht de politieke kosten. Het was een houding die typerend was voor de man: voorzichtig genoeg om niet openlijk agressief te zijn jegens de Kerk, maar moedig genoeg om via zijn geschriften en correspondentie de zaak van de Verlichting onvermoeibaar te bevorderen.
Op 29 oktober 1783 overleed Jean Le Rond d’Alembert in Parijs, dezelfde stad waar hij zesenzestig jaar eerder als naamloos vondelingenkind op de trappen van een kerk was achtergelaten. Hij werd begraven in een ongemarkeerd graf, in overeenstemming met zijn sceptische levenshouding — hij stierf als overtuigd agnost. De man die zijn hele leven vocht voor de emancipatie van het menselijk verstand door rede en wetenschap, vertrok zoals hij kwam: zonder pracht of praal.
Nalatenschap: de lange schaduw van een korte naam
De erfenis van d’Alembert is zowel concreet als filosofisch. In de wiskunde en de fysica leven zijn formules, principes en paradoxen voort in leerboeken over de hele wereld. Zijn golfvergelijking is een van de fundamentele vergelijkingen van de wiskundige natuurkunde. Zijn principe vormt de basis van de analytische mechanica die later door Lagrange werd voltooid. In de filosofie blijft het Discours préliminaire een sleuteltekst voor wie de Verlichting wil begrijpen — een tekst die de ambitie verwoordt om de volledige menselijke kennis in een samenhangend systeem te ordenen.
Maar wellicht is d’Alemberts belangrijkste nalatenschap zijn voorbeeld als intellectueel. In een eeuw van patronage en vorstelijke gunsten koos hij consequent voor onafhankelijkheid. In een tijd waarin kennis werd bewaakt door kerken en universiteiten, werkte hij mee aan een project dat kennis voor iedereen toegankelijk wilde maken. In een wereld die hem als buitenechtelijk kind verwierp, bewees hij dat talent en doorzettingsvermogen zwaarder wegen dan afkomst.
Het verhaal van d’Alembert is uiteindelijk het verhaal van de Verlichting zelf: het geloof dat de menselijke geest, bewapend met rede en wetenschap, in staat is de wereld te begrijpen en te verbeteren. Dat dit geloof werd uitgedragen door een man die zijn leven begon als naamloos vondelingenkind, maakt het des te krachtiger. Jean Le Rond d’Alembert was, in de meest letterlijke zin, een kind van zijn tijd — en tegelijk een van de architecten ervan.


