Boerenpsalm - Felix Timmermans
Een meeslepende lofzang op het boerenleven, de liefde, het geloof en de onverwoestbare band met het land.
Hoofdstuk I
Ik ben maar een arme boer en al heb ik veel ellende gekend, toch is het boerenleven het mooiste leven dat er bestaat. Ik zou met geen enkele koning willen ruilen.
God, ik dank U dat U mij tot boer hebt gemaakt!
Daar, in die hut, ben ik geboren. We waren met vijftien hongerige monden. En al kregen we soms meer klappen dan eten, toch was het een mooie jeugd en werden we kerels als bomen.
Een groot gezin is een lust.
Ik houd van een hele tros kinderen. Een goede boom moet veel vruchten dragen.
Ik heb mijn vrouw ook nooit een kind geweigerd. Voortplanten is onze roeping: kinderen net zo goed als savooikolen. Dan weet je waarvoor je leeft en voor wie je werkt. Onze vader en moeder zijn er ook niet aan doodgegaan. Op haar tachtigste stond moeder nog zo recht als een plank en droeg ze fluitend een zak aardappelen naar de zolder. Vader was kromgewerkt als een vraagteken. Toen ze hem in zijn kist legden, moest hij óf rechtop zitten, óf zijn benen staken de lucht in. Ze hebben hem moeten breken; tenminste, ík heb hem gebroken. De anderen durfden niet. De oude jonkvrouw van het kasteel, van wie wij het land pachtten, kwam hem vaak vragen om haar tuinman te worden. Weinig werk, een goed loon en een aandeel in de opbrengst van het fruit.
‘Onzin!’ zei hij. ‘Een boer moet een boer blijven, anders loopt de hele wereld vast.’
Daarom kon hij zo tieren en humeurig zijn: van ons allemaal had er maar één zin om boer te worden.
Ik heb broers en zussen in Antwerpen en Brussel, twee zitten er in Amerika, één in het Franstalige deel van het land, één is gek en verblijft in Geel — dat komt zelfs in de beste families voor — en één is broeder bij de ongeschoeide paters in Dendermonde. Die zien we alleen wanneer zijn klooster geld nodig heeft.
Daarom zei onze vader altijd tegen mij: ‘Onze wortel.’ Ik bleef. Ik kon het veld niet verlaten. Dat zit gewoon in je bloed. Het veld trekt je aan. Je houdt ervan en je weet niet waarom.
Goed beschouwd heeft meneer pastoor gelijk wanneer hij zegt dat het veld een soort vijand is, een reus die ons dag in, dag uit tegenwerkt.
Je moet er met lijf en ziel tegenin gaan. Heb je er ooit bij stilgestaan wat er allemaal moet gebeuren voordat er brood op tafel ligt?
Ploegen, bemesten, eggen, zaaien, oogsten, dorsen, malen en bakken. En als Onze Lieve Heer dan niet helpt met op tijd een scheut regen en een beetje zon, en als je de heiligen niet met een kaars gunstig stemt tegen slakken, wormen, donder en bliksem, dan kan al je zweet nog voor niets zijn geweest. Maar wanneer je dan een boterham van de nieuwe oogst in je hoekige handen houdt, een boterham die je met je eigen kracht uit de grond hebt gesleurd, en je zet er je tanden in terwijl je rondom de tafel een hele kring eters ziet, dan is het alsof de Baas van hierboven zijn hand op je schouder legt en zachtjes in je oor fluistert: ‘Dat heb je heel goed gedaan, Wortel. Bedankt!’
Nee, in mijn ogen is het veld geen reus, maar een reuzin: een reusachtige vrouw aan wie geen einde lijkt te komen. Haar gezicht is de lucht. Ze lokt je. Je loopt over haar lichaam, je kruipt eroverheen. Natuurlijk werkt ze je tegen, zoals alle vrouwen. Dat is juist het mooie. Je vleit en vertroetelt haar. Je geeft niet op, en dan wordt ze mild en gewillig. Dan geeft ze en blijft ze geven; er komt geen einde aan.
Een boer moet ook een goede vrouw in bed hebben, maar ze mag er niet in blijven liggen. Ze moet boter karnen, de mensen en de dieren eten geven en meewerken tot haar handen bijna van haar lijf vallen en er alleen nog ellebogen overblijven. Ik heb veel meisjes gekend. Ik was in mijn tijd een flinke kerel. Ik heb voor meisjes gevochten, al deed ik dat meer omdat ik graag vocht dan om de meisjes zelf. Ik wachtte op de goede vrouw, en goede vrouwen zijn zeldzaam. Bovendien komt zo iemand altijd onverwacht.
Ons Fien kwam van de overkant van de Nethe.
Vreemd hoe de liefde het hart van een mens verovert.
Tijdens de bedevaart naar Scherpenheuvel — ik ga ieder jaar te voet naar Scherpenheuvel — zaten wij toevallig in hetzelfde café onze boterhammen te eten, samen met een heleboel andere mensen. Buiten regende het en de vloer lag vol modder. Ze zat tegenover mij, maar ik had haar nog niet opgemerkt. Er waren zoveel mensen en ik zat met mijn gedachten ergens anders. Ik wilde wat opschuiven om een boerin door te laten en stootte onverwacht mijn glas bier om. Zij sprong op om haar jurk te redden en haar boterhammen vielen op de grond. Ik schaamde me en gaf haar drie van mijn boterhammen. Ze wilde ze niet aannemen.
‘Dan gooi ik de mijne ook in de modder,’ zei ik. Er zat spek tussen.
Toen nam ze ze aan.
‘Smaakt het?’ vroeg ik.
‘Ja,’ zei ze, ‘dat is echt goed brood.’
‘Waar woon je?’
Zo raakten we aan de praat. Ze glansde als een droge ui. Ze zat goed in haar vlees, een vrouw met een volle boezem. Ik was graag met haar mee teruggegaan, maar ze was bij haar familie.
Ik kon haar niet meer uit mijn hoofd zetten. Ik zag haar voortdurend voor me, ook wanneer ik op het veld zat te eten, en ik droomde vol verlangen van haar. Ik had geen rust meer en trok, wanneer ik de kans kreeg, ’s avonds naar de Nethe. Vandaar kon je het pannendak van haar huis zien. Ik lag er de ene pijp na de andere te roken en floot telkens het liedje ‘Ave, Ave Maria’, in de hoop dat ze aan Scherpenheuvel en aan mij zou denken en eens zou komen kijken. Maar er gebeurde niets.
De zondag daarop zag ik haar met haar zus aan de overkant van de dijk terugkomen van het avondgebed.
‘Wel,’ riep ik brutaal, ‘zijn de boterhammen je goed bevallen?’
Ze begon te giechelen en te lachen. Ze zei iets tegen haar zus en die lachte mee. Ik werd heel verlegen, maar riep toch: ‘Mag ik je eens een heel brood brengen? We hebben gisteren nog gebakken!’
Lachend renden ze de dijk af, een weilandje in. Ze keek nog één keer om.
‘Morgen kom ik!’ riep ik, daardoor aangemoedigd.
Ik zwaaide. Zij zwaaide terug. Ik voelde dat het goed zat, en mijn hart was zo onrustig dat ik geen vijf minuten in hetzelfde café kon blijven zitten.
De volgende dag, tegen de avond, verzamelde ik al mijn moed, wikkelde het brood in een handdoek en vertrok zonder iets te zeggen. Het was een omweg van een uur, langs de stad. Ik deed de deur open. Daar zaten haar broers, wel vijf, en haar vader, een vent als een pilaar. Ze aten aardappelen uit de pan. Ik zei niet veel. Alleen dat ik een brood bracht voor dat meisje daar. Ik kende haar naam nog niet. Ze zat er beschaamd bij en was dichter bij huilen dan bij lachen. Ik weet niet hoe het gebeurde, maar voordat ik tot drie kon tellen lag ik buiten met mijn benen in een greppel te spartelen. Mijn brood hadden ze gehouden. Ik hoorde ze lachen. Eén tegen zes was niet te doen. Ik voelde me als een zak vol gebroken pijpenstelen. Ik ben zowat naar huis gekropen, maar je begrijpt dat ik woedend was als een tijger, vastbesloten om wraak te nemen en dat meisje voor mij te winnen.
Thuis sprak ik er in het geheim met mijn drie broers over.
De volgende dag stonden we met zijn vieren onze messen op de slijpsteen te slijpen. Toen het donker was, gingen we erheen. Haar broers die thuis waren, begonnen moord en brand te schreeuwen, zonder dat we onze messen hoefden te gebruiken. Zij liet van schrik de vaat vallen. Terwijl mijn broers haar broers afranselden, zei ik tegen haar: ‘De grond zal rood zien van het bloed als jij mijn lief niet wordt!’
Haar zus was naar buiten gerend en riep om hulp. Maar voordat die hulp met honden en hooivorken kwam, sprongen wij in de Nethe. Vanaf de andere oever stonden we hen brutaal uit te lachen.
Ik werd bijna gek. Ik voelde dat ik alles had verpest. Ik was nergens meer goed voor. Iedere dag lag ik achter het riet naar haar huis te gluren. Als ze van me houdt, zal ze wel eens komen kijken, dacht ik, want onze hut was van daaruit gemakkelijk te vinden.
Op een zaterdag, toen ik haar bijna had opgegeven, lag ik daar weer. Ik zag haar uit het laantje komen om water te halen.
Toen ze de eerste emmer had gevuld, riep ik: ‘Hé daar!’ Ze schrok. Ze durfde niet te roepen, maar gebaarde met haar hand dat ik weg moest gaan.
‘Ik kom eraan!’ riep ik. ‘Wacht!’
Ik zette mijn pet af en zwom naar de overkant. Ze bleef doodsbang staan. Ze begon te huilen, zo graag zag ze me. We gingen samen even zitten. En ja, hoe gaat dat: je bent allebei jong en vol vuur, iedereen werkt je tegen — waardoor het alleen maar erger wordt — en dan wordt er al gauw niet meer over boterhammen gepraat. Volkomen tevreden zwom ik fluitend terug. Die avond heb ik zo hard gezongen dat de buren dachten dat ik gek was. We kwamen daarna nog een paar keer ’s avonds bij elkaar. Het was hooitijd. Hooihopen zijn zacht en ruiken zo lekker. En wat ik had vermoed, bleek waar. Ruim een maand later kwam haar vader bij ons langs. Hij moest met mij praten. Ik hield mijn kapmes bij de hand, maar hij vroeg alleen wat ik van plan was: trouwen of niet, en hoe eerder hoe beter.
‘Ja,’ zei ik, ‘maar dan wil ik er een paard en een koe bij.’
Hij hapte toe. Het werd een mooi huwelijksfeest. Onze vader zaliger danste van plezier.
‘Dat heb je hem mooi afgetroggeld, Wortel,’ zei hij.
Die eerste nacht! Ze hadden belletjes onder ons bed gehangen en ons Fien had waarschijnlijk een glas te veel gedronken. Ze klaagde over hevige hoofdpijn. Ik liet me niet voor gek houden, maar dacht: ik heb nog tijd genoeg. Ik ben in het maanlicht gaan wandelen. Het koren stond klaar om geoogst te worden. Is er iets heerlijkers dan koren om in te slapen? Ik ging ergens liggen en keek naar de sterren. Daar kan ik vaak lang naar kijken. Dan merk je iets heel anders. Het wordt stil in je hart en je denkt aan dingen waarvoor je anders geen tijd hebt. Aan Onze Lieve Heer, die dat allemaal heeft geschapen, en aan de nietigheid van je eigen leven. Meneer pastoor zegt dat de sterren zo groot zijn als werelden. Papier is geduldig, maar terwijl ik daar lag, voelde ik toch iets groots en plechtigs over me komen, zoals soms in de kerk. Toen beloofde ik mezelf dat ik voor God en alle mensen altijd zo goed mogelijk mijn plicht zou doen.
De volgende ochtend, toen de zon opkwam, stond ik samen met ons Fien het koren te maaien waarin ik diezelfde nacht nog had geslapen.
Toen begon de ellende al. Rond zeven uur ging ons Fien koffie en boterhammen halen. We waren nog maar net gaan zitten of bij de eerste hap begon ze plotseling te schreeuwen.
‘Ik kan niet meer. Mijn hoofd weegt als lood.’
Ze moest naar huis. Ik stond er alleen voor, vechtend tegen de brandende zon en dat enorme korenveld.
Wat een ellende is die hoofdpijn geweest! En wanneer je zelf niets voelt, denk je al gauw dat het toneel is, dat ze zich iets inbeeldt. Dan vallen er soms harde woorden. Die hoofdpijn heeft ons veel geld en heel wat reizen gekost: de dokter, de urinedokter, de tovenaar Aloïske en een hele reeks bedevaarten. Ik heb haar bijna nooit anders gezien dan met een witte doek of iets dergelijks om haar hoofd.
Een ander kan er misschien om lachen.
Zo gingen we eens naar Peuthy. Ze kwam genezen terug en had veertien dagen lang geen seconde pijn. Toen zei ze: ‘Wortel, ik ben genezen. Uit dankbaarheid moeten we onze pastoor iets geven.’
We hadden net ons varken geslacht en droegen trots de kop naar meneer pastoor.
‘Dat is heel mooi,’ zei hij, ‘maar waarom een kop?’
‘Omdat ik van mijn hoofdpijn genezen ben.’
‘Jammer,’ zei hij, ‘dat je die pijn niet ergens anders had. Dan had ik een paar hammen gekregen.’
Onze pastoor is verder een goede man, een eerlijk mens, soms zelfs een heilige. Hij heeft namelijk een huishoudster die de baas over hem speelt en hem soms woedend maakt. Hij neemt graag iets aan en gaat er ook achteraan, maar aan de andere kant geeft hij zijn laatste broek nog weg. ‘Het leven is geen grap,’ zegt hij altijd, maar ik heb hem nog nooit zien huilen. Hij komt vaak bij mij over de drempel. Dan krijgt hij altijd een pint melk, rechtstreeks van de uier. Als wij op het veld zijn, roep ik: ‘Ga je gang!’ Dan gaat hij zelf de stal in om een pint te tappen — of twee. Wie weet hoeveel wanneer niemand kijkt! Meneer pastoor kent mij van binnen en van buiten. Hij leeft mee met onze ellende en armoede en troost ons. Elk jaar met Pasen leeg ik mijn mandje vol zonden bij hem uit. Ik beloof altijd dat ik mijn leven zal beteren, maar een mens is nu eenmaal van vlees en bloed. Onze Lieve Heer heeft ons met onze gebreken over de wereld uitgestrooid. Hij moet ons dan ook maar zo terugnemen. Natuurlijk mag het niet de spuigaten uitlopen. Je gebreken volledig uitroeien is iets voor kwezels en simpele zielen. Een boer die zijn plicht doet, heeft wel iets anders uit te roeien: distels en onkruid tussen de aardappelen, en rupsen die de appels opeten. Het veld geeft ons geen tijd of gelegenheid om later als een heilige tegen een pilaar te staan met een gouden bord achter ons hoofd. Toch was er Sint-Isidorus, die ik zelf vaak aanroep. Terwijl hij zat te bidden, zaaiden en ploegden de engelen voor hem. Ik heb dat nooit geprobeerd, omdat ik al blij ben wanneer ik het met mijn eigen handen voor elkaar krijg.
Dat eerste jaar was zwaar en het tweede nog zwaarder. De pacht was hoog. Die Pimpelmuis van het kasteel zei: ‘Jonge mensen kunnen wat meer betalen, want ze kunnen harder werken.’
Onze koe moest kalveren. Met de grootste moeite trokken we het kalf levend uit haar, maar de koe overleefde het niet.
Ik verbrandde mijn voet tot op het rauwe vlees toen ik het varkensvoer kookte. Twee weken zat ik op een stoel. Ik kon wel tegen de muren opvliegen. Dat ellendige varken! Toen we het slachtten, bracht de pastoor de zes koteletten terug. ‘Het leven is geen grap,’ zei hij, ‘maar jullie varken was een beer met een niet-ingedaalde teelbal.’ Het vlees had een flauwe, bittere galsmaak. Daar moesten we de hele winter op teren. Om de smaak af en toe te veranderen, ging ik ’s nachts stropen.
De winter beet. De grond was zo hard als arduin; je sloeg er de sterkste hooivork op kapot. Er was geen manier om de rapen en bieten uit de kuilen te halen. Er was een komeet aan de hemel verschenen en alle boeren zaten te bibberen. We hielden het veld in het oog en ook de donkere wolken die van over de Nethe kwamen en telkens nieuwe sneeuw meebrachten. Dan kwamen er weer orkanen die ons huisje lieten schudden en beven. Ik durfde niet eens zonder broek naar bed. Ons dak ging kapot en drie appelbomen knakten om. Midden in de winter onweerde het. Maar niets blijft duren. Rond vastenavond zette de dooi in en dagenlang goot het. Het veld veranderde in pap. Aan de zuidkant bleef alles donker en ondergelopen. Een kwaaie hoek, dat zuiden. En toen kwam de grote klap. Het was de komeet die ons dat aandeed. De Nethe brak door. Alle velden liepen onder water en ons winterkoren kwam over de drempel naar binnen drijven.
Diezelfde avond, terwijl we tot onze enkels in het water stonden, werd ons Polleke geboren. Bij het water verwekt en boven het water geboren. En het mooiste was: ik had de dieren uit de stal moeten halen. Alleen het paard niet, dat was groot genoeg. Maar het kalf, de geit, het jonge varken en de konijnen moesten naar binnen, anders waren ze verdronken. Die dieren waren dus getuigen van de geboorte. Bel Salamander, de manusje-van-alles uit onze buurt, kwam helpen. Iedereen had op zijn eigen erf al genoeg werk met het opvissen van potten en pannen. Het water kroop langzaam hoger. Ons Polleke kwam bepaald niet onder een leien dak ter wereld.
Ik hield mijn hart vast en vergat de overstroming toen ik ons Fien zag lijden. Bel Salamander zei wel: ‘God geeft een mens niet meer lijden dan hij kan verdragen.’ Of totdat hij eraan sterft, dacht ik. Op dat moment voelde ik heel oprecht hoeveel ik van mijn vrouw hield. Ik had spijt van al mijn harde woorden en, bij God, zo’n grote kerel als ik knielde in het water en riep Onze-Lieve-Vrouw aan als een klein kind. Maar toen riep Bel:
‘Tikkeloere haantje, geef dat kind een vaantje!’
Ze hield ons Polleke vlak onder mijn neus. Ons Fien lachte en ik lachte. Ik heb me zelden zo gelukkig gevoeld. Toen kwam de pastoor binnen, zijn toog opgerold, met waterlaarzen aan en een pijp in zijn mond.
‘Proficiat, Wortel,’ zei hij. ‘Je zult die kleine Mozes moeten noemen, want het water begint te zakken.’
Daarna kwamen er nog twee miskramen. Onze troost was dat God ons Polleke tenminste liet houden. Maar niet voor lang. Dat Onze Lieve Heer mij dat heeft aangedaan, kan ik nog altijd niet slikken. En als ik ooit daarboven binnenkom, wil ik Hem persoonlijk horen uitleggen waarom ik dat heb verdiend. Misschien had Hij een reden. Die reden wil ik weten. Anders kan ik niet rustig het halleluja meezingen.
Ach, wat was dat voor een kind, een wolk van een kind! Geen wonder, met zulke melk van mijn vrouw. Wanneer het aan haar mooie, grote borsten lag, kon ik er zo lang naar kijken en luisteren dat mijn pijp uitging. En dan die rode handjes die over haar heen krioelden als kleine rode bietjes: daar word je week van, en dan moet je even vloeken om je weer een man te voelen.
Ik heb nooit veel gezongen, maar om hem in slaap te krijgen kon ik gemakkelijk een vol uur aan zijn wieg zitten jammeren, totdat onze hond uit pure ergernis begon mee te janken. Op zondagochtend, wanneer een mens wat langer mocht blijven liggen, liet ik hem over mijn lichaam kruipen en aan mijn haar en snor trekken tot de tranen in mijn ogen sprongen.
Wat was hij slim en grappig! Hij speelde met de kat en de hond. Hij schokte van het lachen wanneer hij aan het staartje van ons varken kon trekken. Hij zat bij mij op het paard, schrijlings, met mijn pijp in zijn mond. Ik nam hem zo vaak mogelijk mee naar het veld, naar het café en op zondag tijdens een wandeling. Ik was gek op dat kind. En wat heb ik niet allemaal voor hem in elkaar geknutseld: houten clowns, eendjes die konden drijven en een klein windmolentje.
We gingen de winter in. In maart zou ons Polleke twee jaar worden. Ik stond onder de wagenschuur wortels te bundelen en ons Polleke stond erbij. Opeens stond er een broodmager oud wijf voor me dat lucifers verkocht.
‘Heb je geen lucifers nodig?’
Ik had nog lucifers. Ons Fien gaf haar een boterham met reuzel.
‘Wat een mooi kindje,’ zei het wijf met een stem als een blatende geit, terwijl ze ons Polleke over zijn hoofd streek.
Ze ging weg, maar ze was nog geen kwartier van het erf of het kind werd rood. Hij kon niet meer op zijn benen staan. Hij kermde zo meelijwekkend en keek zo scheel als een otter. Meteen naar de dokter. Die vergulde ezel zei dat hij te veel had gegeten en schreef een drankje voor. Door dat drankje werd het nog erger. Een gloeiende kool was er niets bij.
Ik haalde de pastoor. Die las iets uit zijn boek en maakte kruistekens. Bel Salamander legde de medaille van Sint-Benedictus op zijn hartje en stak een Lourdeskaars aan. Ik liet Aloïske, de gebedsgenezer, roepen.
‘De Kwade Hand,’ zei hij. ‘Ga naar Kruiskensberg. Als de kuiltjes daar niet leeg zijn, zal hij genezen, op voorwaarde dat je een jaar lang iedere vrijdag het gebed van Keizer Karel leest.’
Ik naar Kruiskensberg. Wat een geluk: de kuiltjes waren vol. Hoe ik thuiskwam, weet ik niet meer. Ik vloog over heg en haag. Maar toen ik de deur opendeed, lag ons Polleke dood op de schoot van ons Fien. Hij zag groen.
Wat is er in dat huisje gehuild en gejammerd!
Er hing een dikke mist toen Bel Salamander het witte houten kistje, dat ik zelf had gemaakt, naar het kerkhof droeg. Ik ging mee. Toen ik zag hoe ze het onder de grond stopten, vloekte en schreeuwde ik. De grafdelver trok zo’n droevig gezicht dat ik hem twintig cent gaf. Maar hij zei: ‘Wees blij, Wortel. Het is een engeltje in de hemel.’ Toen gaf ik hem zo’n klap dat hij in de rondte draaide. Ik moest mijn hartpijn kunnen vergeten. We zijn daarna in café ‘Het Laatste Vaarwel’ gaan drinken, en tegen de middag moest Bel mij op een kruiwagen naar huis brengen.
Maar daarna! Het huis is leeg. Er is een kind geweest. Je stem stijgt tot tegen de dakpannen. Je durft niet meer hardop te praten. Je zwijgt over het kind om elkaar geen verdriet te doen, maar waarover kun je anders spreken? Die stilte, die stilte. De dood kraakt op de trap. Het kind is weg, dat mooie kind. Het ligt daar opgesloten in de grond en toch verwacht je het ieder ogenblik. Je spitst je oren voor zijn lach en zijn geroep. Het is zeven uur: nu zou hij gaan slapen, denk je. Het is vier uur: nu zou hij om een boterham met stroop vragen.
De hond zoekt hem. Hij snuffelt aan de schoentjes, kijkt naar ons, kijkt weer naar de schoentjes en gaat buiten kijken of ons Polleke daar soms is.
‘Waar is ons Polleke?’ hoor je je vrouw aan de hond vragen. Dan moet je vloeken of weggaan. En dat speelgoed! Je verstopt het op zolder, al wil je het eigenlijk liever in de glazen kast zetten. Mijn vrouw knielde er eens bij neer. Toen heb ik er een laken overheen gelegd. Maar wanneer ik alleen thuis was, kroop ik naar de zolder. Ik liet het paardje schommelen en het molentje draaien. Ik begon te drinken.
Op een bepaald moment dacht ik terug aan de sterren en aan de belofte die ik tijdens mijn huwelijksnacht had gedaan. Ik goot de flessen jenever leeg op de mesthoop. Ons gezin was gebroken. Ik kreeg mijn werk niet meer gedaan. En toch moest er worden gewerkt.
We waren bieten aan het rooien op het veld. Weer zag ik de tranen over haar gezicht lopen.
En toen viel ze op haar knieën.
‘Nu heb ik geen kindje meer. Nu hebben wij geen kindje meer!’
Mijn hart liep vol. Ik trok haar overeind, nam haar in mijn armen en beloofde haar een ander kindje. Zo kregen we de moed terug.
Ik heb altijd mijn plicht gedaan. Daarom ben je man en mens. God zij dank!
Blijf lezen met een gratis proefperiode van 7 dagen
Abonneer je op Diderot om deze post verder te lezen en krijg 7 dagen gratis toegang tot het volledige postarchief.


